|
Uitspraak
voorzieningenrechter 05/4351 WWB en 05/5342 WWB-VV
U I T S P R A A K
in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), alsmede op het verzoek om toepassing van artikel
8:81 van de Awb, in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het
geding tussen:
[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden,
gedaagde.
I. INLEIDING
Namens verzoekster heeft mr. A. Caddeo, advocaat te Amsterdam, hoger
beroep ingesteld tegen de met toepassing van artikel 8:86 van de Awb
genomen uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
’s-Gravenhage van 27 juni 2005, reg. nrs. 05/3207 WWB en 05/3208 WWB.
Namens verzoekster heeft mr. Caddeo de voorzieningenrechter verzocht om
toepassing van artikel 8:81 van de Awb.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 oktober augustus 2005, waar
verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Caddeo, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door P. Minderhoud, werkzaam bij de
gemeente Leiden.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste
lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen
indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:86 van de Awb
houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de
voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de
zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de
beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de
hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat
ook overigens geen sprake is van beletselen om onmiddellijk uitspraak te
doen in de hoofdzaak.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de
voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verzoekster ontving met ingang van 18 augustus 2003 een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), berekend naar de norm voor een
alleenstaande ouder. Bij besluit van 11 maart 2004 is deze uitkering met
ingang van 11 november 2003 omgezet in een uitkering ingevolge de Abw
naar de norm voor gehuwden op de grond dat verzoekster een gezamenlijke
huishouding voert met [betrokkene] (verder: [betrokkene]). Met ingang
van 1 januari 2004 is deze uitkering voortgezet ingevolge de Wet Werk en
Bijstand (Wwb).
In het kader van een begeleidingstraject is [betrokkene] opgeroepen te
verschijnen op 13 oktober 2004 in verband met zijn mogelijkheden voor
werk. Nadat [betrokkene] hieraan geen gevolg had gegeven, is hij
schriftelijk verzocht te verschijnen op 26 oktober 2004. Nadat
[betrokkene] ook hieraan geen gevolg had gegeven, heeft gedaagde bij
brief van 2 november 2004 hem opgeroepen voor een gesprek op 9 november
2004. [betrokkene] heeft evenmin op deze brief gereageerd.
Gedaagde heeft naar aanleiding daarvan bij besluit van 12 november 2004
met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wwb het recht op
bijstand van verzoekster en [betrokkene] met ingang van 1 november 2004
opgeschort en [betrokkene] alsnog de gelegenheid gegeven te verschijnen
op 17 november 2004.
[betrokkene] heeft ook op de oproep van 2 november 2004 niet gereageerd.
Bij besluit van 22 november 2004 heeft gedaagde de uitkering van
verzoekster en [betrokkene] met toepassing van artikel 54, vierde lid,
van de Wwb met ingang van de opschortingsdatum ingetrokken.
Bij besluit van 5 april 2005 heeft gedaagde de door verzoekster en
[betrokkene] gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 12 november 2004
en 22 november 2004 ongegrond verklaard.
Alleen verzoekster is in beroep gekomen tegen het besluit van 5 april
2005. Dat beroep is door de voorzieningenrechter van de rechtbank bij de
aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft zich in hoger beroep in zoverre tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd. Verzoekster heeft aangevoerd dat haar uitkering ten
onrechte is opgeschort en ingetrokken met ingang van 1 november 2004.
Zij heeft in dit verband er met name op gewezen dat tussen haar en
[betrokkene] geen sprake is van een gezamenlijke huishouding.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 54, eerste lid, van de Wwb bepaalt dat, indien de belanghebbende
de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de
gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt
en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende
anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op
bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking
heeft, of vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op
welke periode dit verzuim betrekking heeft.
Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de Wwb doet het college mededeling
van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een
door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54,
vierde lid, van de Wwb bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval
bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor
gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het
besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de
eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Op grond van de gedingstukken staat vast dat [betrokkene] niet is
verschenen op de diverse oproepen in verband met de bespreking van zijn
mogelijkheden naar werk. Terecht heeft gedaagde zich dan ook op het
standpunt gesteld dat [betrokkene] onvoldoende heeft meegewerkt aan het
onderzoek, gericht op de nakoming van de verplichtingen tot inschakeling
in de arbeid. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat dit
[betrokkene] te verwijten valt.
Hieruit volgt dat met ingang van 1 november 2004 aan de voorwaarden voor
toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wwb is voldaan. De
voorzieningenrechter ziet geen grond om te oordelen dat gedaagde niet in
redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van het recht op
bijstand met ingang van die datum gebruik heeft kunnen maken.
Voorts staat vast dat [betrokkene] in de gelegenheid is gesteld het
verzuim te herstellen, doch daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Naar het
oordeel van de voorzieningenrechter valt dit verzuim [betrokkene] te
verwijten.
Hiermee is gegeven dat met ingang van 1 november 2004 ook aan de
voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Wwb is
voldaan. De voorzieningenrechter ziet geen grond om te oordelen dat
gedaagde niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van
het recht op bijstand met ingang van die datum gebruik heeft kunnen
maken.
Namens verzoekster is aangevoerd dat haar (deel van de) uitkering ten
onrechte is opgeschort en ingetrokken, omdat de feiten en omstandigheden
die daartoe hebben geleid betrekking hebben op [betrokkene]. Dit klemt
te meer nu ondanks toekenning van bijstand naar de norm voor gehuwden
zij en [betrokkene] feitelijk geen gezamenlijke huishouding voeren.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter miskent het betoog van de
gemachtigde dat bij rechtens vaststaand besluit van 11 maart 2004 met
ingang van 11 november 2003 gezinsbijstand is verstrekt en dat aan
verzoekster sedertdien geen zelfstandig recht op bijstand toekomt.
Indien in een dergelijk geval de ene partner zijn verplichtingen als
bedoeld in artikel 54, eerste en vierde lid, van de Wwb niet is
nagekomen, raken de gevolgen daarvan de aanspraak van beide partners.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover
aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat onder die
omstandigheden geen aanleiding.
De voorzieningenrechter ziet ten slotte geen aanleiding voor een
veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
in de hoofdzaak:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
op het verzoek om voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van mr.
P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 november
2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
|
|