|
Uitspraak
voorzieningenrechter 05/6091 WWB-VV, 05/6092 WWB-VV, 05/4709 WWB en
05/4711 WWB
U I T S P R A A K
in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet
bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81
van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet, in het geding tussen:
[verzoeker], verzoeker, en [verzoekster], verzoekster, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam,
gedaagde.
I. INLEIDING
Namens verzoekers heeft mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de
rechtbank Rotterdam van 23 juni 2005, reg.nrs. 05/2234 en 05/1580.
Verzoekers hebben tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 15 november 2005, waar
verzoekers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Piternella,
en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door R. Braat,
werkzaam bij de gemeente Schiedam. Tevens is gehoord de door verzoekers
meegebrachte getuige [getuige].
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste
lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel
8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat
de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de
zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de
beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de
hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat
ook overigens geen sprake is van beletselen om onmiddellijk uitspraak te
doen in de hoofdzaak.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de
voorzieningenrechter uit van de volgende van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
Verzoekers hebben op 21 juli 2004 een aanvraag om bijstand ingevolge de
Wet werk en bijstand ingediend voor de noodzakelijke kosten van het
bestaan.
Bij brieven van 4, 12 en 30 augustus 2004 heeft gedaagde aan verzoekers
om aanvullende gegevens verzocht ten behoeve van de behandeling van de
aanvraag.
Bij brief van 8 oktober 2004 heeft gedaagde aan verzoekers verzocht om vóór
15 oktober 2004 alsnog te verstrekken alle bankafschriften over de
periode van 1 januari 2004 tot 13 juli 2004 van de rekeningen bij de
ING- en Fortisbank en het bewijs van de tweede opname van € 5.000,--
omstreeks oktober 2003 van rekeningnummer 67.02.30.316. Tevens is aan
verzoekers meegedeeld dat het niet of niet volledig verstrekken van de
gevraagde gegevens tot gevolg kan hebben dat de aanvraag buiten
behandeling wordt gesteld.
Bij besluit van 18 oktober 2004 heeft gedaagde de aanvraag van
verzoekers van 21 juli 2004 op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten
behandeling gesteld op de grond dat verzoekers niet volledig hebben
voldaan aan het verzoek om vóór 15 oktober 2004 de gevraagde gegevens
in te leveren.
Bij besluit van 22 maart 2005 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 18 oktober 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de
rechtbank, voorzover hier van belang, het tegen het besluit van 22 maart
2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep hebben verzoekers zich in zoverre gemotiveerd tegen de
uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank gekeerd.
De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het
bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de
verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling
van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de
aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan
gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van
de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of
ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van
gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk
te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de
Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en
waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Voor de beoordeling van het recht op bijstand is het in het algemeen
noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie in de
aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode, zie ook de uitspraak van
de Raad van 30 juli 2002, LJN AF2760.
In dit geval blijkt uit de rapportage van gedaagde van 15 oktober 2004
dat de door verzoekers overgelegde gegevens de vraag opriepen waarvan
zij in de periode sedert het ontslag van verzoeker per 31 december 2003
tot de aanvraag op 21 juli 2004 hebben geleefd. Ook na de verzoeken om
aanvullende informatie van 12 augustus 2004 en 30 augustus 2004 bleef
onduidelijk waar verzoekers van hebben geleefd. Onder deze
omstandigheden heeft gedaagde terecht bij brief van 8 oktober 2004 om de
daarin genoemde nadere gegevens verzocht.
Uit de door gedaagde overgelegde rapportage van 15 oktober 2004 blijkt
onder meer het volgende:
“Cliënt levert op 8 oktober 2004 de volgende stukken in:
- De bankafschriften van de ING volgnummer 2 t/m 10.
- Een schriftelijke verklaring van partner dat de € 7.000,-- met eigen
geld al was
terugbetaald aan [betrokkene].
Op 13 oktober 2004 neemt cliënt contact op met rapporteur met het
verzoek om voorschot. Rapporteur geeft aan dat de gevraagde gegevens
niet compleet zijn, alleen spullen van de ING zijn ingeleverd en ook
deze zijn niet compleet.
Op 14 oktober 2004 levert cliënt wederom stukken te weten de volgende:
- Een afschrift waarop de 2e opname van € 5.000,-- staat bevestigd
- de bankafschriften van de Fortisbank volgnummer 2 t/m 14 van het jaar
2003.”
Op grond van deze rapportage en de overige beschikbare gegevens stelt de
voorzieningenrechter vast dat verzoekers niet binnen de hersteltermijn
volledig hebben voldaan aan het verzoek van 8 oktober 2004 nu het
bankafschrift met volgnummer 1 van 2004 van de ING-bankrekening ontbrak
en van de Fortis-bankrekening de gevraagde afschriften over de periode
van 1 januari 2004 tot 13 juli 2004 nog steeds ontbraken.
De stelling van verzoekers dat deze stukken wel tijdig zijn ingeleverd,
vindt in de thans beschikbare gegevens geen steun. De
voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekers niet in staat waren
om alle gevraagde gegevens tijdig in te leveren. De omstandigheid dat
verzoekers op 22 oktober 2004 nog ontbrekende gegevens hebben ingeleverd
doet aan het voorgaande niet af aangezien de hersteltermijn reeds was
verstreken en niet binnen de hersteltermijn om uitstel is verzocht.
Gelet op het voorgaande was gedaagde bevoegd om de aanvraag van 21 juli
2004 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten
behandeling te stellen. Voorts kan niet worden gezegd dat gedaagde niet
in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandelingstelling van
de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.
Ook hetgeen overigens door en namens verzoekers is aangevoerd, heeft de
voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat de
aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in
aanmerking komt.
In het voorgaande ligt besloten dat geen grond aanwezig is voor het
treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe moet
worden afgewezen.
De voorzieningenrechter ziet ten slotte geen aanleiding voor een
veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
in de hoofdzaak:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
op het verzoek om voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 november
2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
|
|