|
Uitspraak
05/3007 WWB
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 6 september 2005 is het door opposant
ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam
van 9 mei 2005, reg.nr. 04/4534 NABW, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting
van 15 november 2005, waar partijen - zoals tevoren bericht - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 6 september 2005 steunt samengevat hierop,
dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van
de Beroepswet verschuldigde griffierecht van 103,-- niet binnen de
door de laatstelijk aangetekend verzonden brief van 15 juni 2005
gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de
beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat
opposant niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht
niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in
zijn genoemde uitspraak gegeven.
Hetgeen in het verzetschrift is aangevoerd bevat geen grond waarop
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant in verzuim is
geweest.
De Raad heeft daarbij het volgende van belang geacht.
Opposant heeft - eerst - bij het verzet aangegeven dat hij op 13 juli
2005 een aanvraag heeft ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten
van griffierecht.
Allereerst blijkt uit deze aanvraag niet duidelijk dat deze ziet op het
griffierecht verschuldigd in de procedure die aanleiding heeft gegeven
tot de uitspraak van de Raad van 6 september 2005 (het hoger beroep
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2005). Opposant
geeft op het betreffende aanvraagformulier als reden voor de aanvraag
voor bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht aan: kosten
gemaakt na eerdere beslissingbeschikking van 10 november 2004
(rechtsbijstand) (griffierecht). De Raad kan de datum van 10 november
2004 niet in verband brengen met de uitspraak van de rechtbank Amsterdam
van 9 mei 2005. Bovendien is deze aanvraag gedateerd op 13 juli 2005.
Dit is echter de datum waarop uiterlijk het door opposant verschuldigde
griffierecht op de bankrekening van de Raad had moeten zijn
bijgeschreven. Uit de door opposant toegezonden stukken blijkt dat
sprake is van nog een aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van
griffierecht. Deze aanvraag dateert van 21 april 2005. De Raad gaat ook
hieraan voorbij omdat deze aanvraag niet kan zien op het griffierecht
dat opposant verschuldigd is naar aanleiding van zijn hoger beroep tegen
de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2005.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 november
2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|