|
Uitspraak
05/356 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.P.M. Hogervorst, advocaat te Maastricht,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht
van 9 december 2004, reg.nr. 04/961 WWB (LJN AS3885, gepubliceerd in
JWWB 2005, nr. 150).
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 31 mei 2005, waar appellant zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. Hogervorst, en gedaagde door M.J.H.
Merken en L.B. Heuts, beiden werkzaam bij de gemeente Maastricht.
II. MOTIVERING
1.1. Appellant ontvangt van gedaagde een bijstandsuitkering, laatstelijk
ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb), naar de norm voor een
alleenstaande.
1.2. Bij besluit van 5 november 2003 heeft gedaagde ten behoeve van
appellant een (traject)plan als bedoeld in artikel 70, derde lid, van de
Algemene bijstandswet (hierna: Abw) opgesteld. Daarbij heeft gedaagde
zich, gelet op een medisch advies van de GGD van 30 juni 2003, op het
standpunt gesteld dat appellant trajectgeschikt is. Onderdeel van het
trajectplan is deelname door appellant aan een toets in het kader van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna: Wet Rea). In het
besluit van 5 november 2003 heeft gedaagde appellant tevens medegedeeld
dat hij voor de Rea-toets zal worden aangemeld en hem erop gewezen dat
hij op grond van artikel 113, eerste lid, aanhef en onder e, van de Abw
verplicht is daaraan zijn medewerking te verlenen.
1.3. Gedaagde heeft appellant voor deelname aan de Rea-toets doorgeleid
naar het bureau Yonder. Aan de uitnodigingen van Yonder om te
verschijnen voor een intakegesprek op 9 december 2003 en vervolgens op
18 december 2003 heeft appellant zonder bericht geen gevolg gegeven.
1.4. Eveneens heeft appellant zonder bericht geen gevolg gegeven aan de
oproepingen van gedaagde om op 3 februari 2004 en vervolgens op 10
februari 2004 te verschijnen voor een doelmatigheidsonderzoek. Naar
aanleiding daarvan heeft gedaagde bij besluit van 13 februari 2004 het
recht op bijstand van appellant opgeschort.
1.5. Bij besluit van 22 maart 2004 heeft gedaagde, daarbij toepassing
gevend aan artikel 18, tweede lid, van de Wwb en de - gemeentelijke -
Afstemmingsverordening Wwb 2004 (hierna: Afstemmingsverordening):
- wegens het niet verschijnen op de uitnodigingen van Yonder voor 9
december 2003 en 18 december 2003 de uitkering van appellant met ingang
van 1 maart 2004 gedurende één maand verlaagd met 10%;
- wegens het niet verschijnen op de oproepingen van gedaagde voor 3
februari 2004 en 10 februari 2004 de uitkering van appellant eveneens
met ingang van 1 maart 2004 gedurende één maand verlaagd met 5%.
1.6. Bij besluit van 2 juni 2004 heeft gedaagde het bezwaar van
appellant tegen het besluit van 22 maart 2004 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellant tegen het besluit van 2 juni 2004 gegrond verklaard en dat
besluit vernietigd. De vernietiging berust - kort gezegd - op het
oordeel van de rechtbank dat gedaagde ten onrechte toepassing heeft
gegeven aan artikel 18, tweede lid, van de Wwb en de
Afstemmingsverordening, zodat de besluitvorming op een onjuiste
bevoegdheidsgrondslag berust.
De rechtbank heeft vervolgens, zelf in de zaak voorziend, het bezwaar
gegrond verklaard en - met toepassing van artikel 14 van de Abw en het
Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit) -
bepaald dat aan appellant gedurende de maand maart 2004 een maatregel
wordt opgelegd van 10% van de bijstand wegens het niet voldoen aan de
uitnodigingen van Yonder en van 5% van de bijstand wegens het niet
voldoen aan de oproepingen van gedaagde. Het verzoek van appellant om
gedaagde te veroordelen tot schadevergoeding (wettelijke rente) heeft de
rechtbank afgewezen. Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat de
gemeente Maastricht het door appellant betaalde griffierecht dient te
vergoeden.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd voor zover de rechtbank daarbij zelf in de zaak heeft voorzien
en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding heeft afgewezen. Ook
in hoger beroep heeft appellant zich, gemotiveerd, op het standpunt
gesteld dat de betrokken gedragingen hem niet kunnen worden verweten,
zodat voor het opleggen van enige sanctie geen grond bestaat.
4.1.1. Bij het gebruik maken van de bevoegdheid om zelf in de zaak te
voorzien heeft de rechtbank als uitgangspunt gehanteerd dat in dit geval
geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 18, tweede lid, van de Wwb
en de Afstemmingsverordening, maar dat artikel 14 van de Abw en het
Maatregelenbesluit dienen te worden toegepast. De Raad ziet zich bij
zijn beoordeling van het hoger beroep aldus allereerst gesteld voor de
vraag vanaf welke datum gedaagde aan artikel 18, tweede lid, van de Wwb toepassing kon geven.
4.1.2. Met ingang van 1 januari 2004 zijn ingevolge de artikelen 1 en 2
van het Koninklijk besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386 (hierna:
Inwerkingtredingsbesluit) de Wwb en de Invoeringswet Wet werk en
bijstand (hierna: IWwb) in werking getreden en is ingevolge artikel 2,
aanhef en onder a, van het Inwerkingtredingsbesluit in verbinding met
artikel 2, eerste lid, van de IWwb de Abw ingetrokken, met dien
verstande dat de artikelen van de Wwb, genoemd in artikel 1, aanhef en
onder a, van het Inwerkingtredingsbesluit (waaronder de artikelen 9, 17
en - voor zover het niet zelfstandigen betreft - 18, tweede lid, van de Wwb) met ingang van 1 januari 2005 in werking zijn getreden en dat de
artikelen van de Abw, genoemd in artikel 2, aanhef en onder a, van het
Inwerkingtredingsbesluit (waaronder de artikelen 14, 65 en 113 van de
Abw) met ingang van het bij Koninklijk besluit van 21 januari 2005, Stb.
2005, 35, - nader - bepaalde tijdstip van 1 februari 2005 zijn komen te vervallen.
In de mogelijkheid van het na 1 januari 2004 in werking laten treden van
bepaalde artikelen van de Wwb, respectievelijk het na die datum laten
vervallen van bepaalde artikelen van de Awb, is in artikel 85 van de Wwb, respectievelijk in de artikelen 2, tweede lid, en 72 van de
IWwb,
voorzien. Verder is in artikel 2, derde lid, van de IWwb - voor zover
hier van belang - voorzien in de mogelijkheid dat bij ministeriële
regeling nadere regels worden gesteld voor de gevolgen van het na 1
januari 2004 laten vervallen van een aantal artikelen van de Abw. Tevens
is in artikel 70 van de IWwb voorzien in de mogelijkheid dat bij
ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met het oog op de
goede invoering van de Wwb, waarbij zo nodig kan worden afgeweken van
het bepaalde bij of krachtens de Wwb en de IWwb.
4.1.3. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft
bij Besluit van 16 oktober 2003 (Stcrt. 2003, 203, hierna:
Invoeringsregeling) nadere regels gesteld. Op grond van artikel 2,
eerste lid, van de Invoeringsregeling kan het college van burgemeester
en wethouders van een gemeente besluiten, in afwijking van de artikelen
1, onderdeel a, en 2, onderdeel b, van het Inwerkingtredingbesluit, dat
op een tijdstip dat is gelegen vóór 1 januari 2005 uitvoering wordt
gegeven aan artikelen die zijn opgenomen in de artikelen 1, aanhef en
onder a, en 2, aanhef en onder b, van het Inwerkingtredingsbesluit,
mits het de genoemde artikelen van de Wwb en de IWwb gezamenlijk betreft
(de zogenoemde gefaseerde invoering). Op grond van artikel 2, derde lid,
van de Invoeringsregeling blijven vanaf het tijdstip dat het college van
burgemeester en wethouders uitvoering geeft aan artikel 2, eerste lid,
van de Invoeringsregeling, de in artikel 2, aanhef en onderdeel a, van
het Inwerkingtredingbesluit genoemde artikelen van de Abw (voor zover
deze niet zelfstandigen betreffen) buiten toepassing. Op grond van
artikel 2, vierde lid, van de Invoeringsregeling maakt het college van
burgemeester en wethouders het besluit, bedoeld in artikel 2, eerste
lid, van de Invoeringsregeling, tijdig en op een geschikte wijze bekend.
4.1.4. De Raad is van oordeel dat het samenstel van de hiervoor
weergegeven bepalingen een toereikende grondslag biedt voor de
bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om te
besluiten dat op een tijdstip dat is gelegen vóór 1 januari 2005
(eerder) uitvoering wordt gegeven aan artikel 18, tweede lid, van de Wwb, mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, eerste en vierde
lid, van de Invoeringsregeling.
4.1.5. De rechtbank heeft geoordeeld dat in het voorliggende geval niet
aan de voorwaarden van artikel 2, eerste en vierde lid, van de
Invoeringsregeling is voldaan. Zij heeft daartoe - kort gezegd -
overwogen dat geen sprake is van een expliciet besluit van gedaagde als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Invoeringsregeling en voorts
dat het onmogelijk is dat een beoogd dan wel impliciet besluit terzake
kan worden bekendgemaakt op de in artikel 2, vierde lid, van de
Invoeringsregeling voorgeschreven wijze. De rechtbank heeft aan dit
oordeel de gevolgtrekking verbonden dat voor de gemeente Maastricht tot
1 januari 2005 toepassing dient te worden gegeven aan de relevante
bepalingen onder de Abw en niet aan die onder de Wwb. De Raad
onderschrijft dit oordeel van de rechtbank niet.
4.1.6. Op 21 oktober 2003 heeft gedaagde de nota Invoering Wet werk en
bijstand eerste fase (hierna: nota eerste fase) vastgesteld en deze
tezamen met - onder andere - de daarbij behorende verordeningen, bedoeld
in artikel 8, eerste lid, onder a, b en c, van de Wwb (waaronder de (afstemmings)verordening
waarnaar in artikel 18, tweede lid, van de Wwb wordt verwezen), ter
accordering voorgelegd aan de raad van de gemeente Maastricht. De nota
eerste fase voorziet in integrale invoering van de Wwb voor de gemeente
Maastricht met ingang van 1 januari 2004. De Raad ziet noch in de tekst
noch in de strekking van artikel 2, eerste lid, van de
Invoeringsregeling een belemmering om aan te nemen dat gedaagde aldus
een besluit als in die bepaling bedoeld heeft genomen. Een afzonderlijk
en expliciet besluit, waarin uitdrukkelijk naar artikel 2, eerste lid,
van de Invoeringsregeling wordt verwezen, acht de Raad geen
noodzakelijke voorwaarde voor een rechtsgeldige toepassing van die
bepaling.
4.1.7. De bij de nota eerste fase gevoegde verordeningen, waaronder de
Afstemmingsverordening, zijn door de raad van de gemeente Maastricht
vastgesteld op 18 november 2003 en vervolgens bekendgemaakt in het
Gemeenteblad van 26 november 2003, nr. C 55. De verordeningen voorzien
in hun inwerkingtreding met ingang van 1 januari 2004. Vervolgens is in “De Maaspost” van 14 januari 2004
bekendgemaakt dat de Wwb voor de gemeente Maastricht in werking treedt
per 1 januari 2004. De tekst van de bekendmaking maakt niet
uitdrukkelijk melding van het besluit van gedaagde van 21 oktober 2003. Wel komt uit de bekendmaking naar voren dat per 1
januari 2004 sprake is van integrale invoering van de Wwb. De Raad ziet
in deze omstandigheden geen - dwingende - grond voor het oordeel dat het
besluit van gedaagde aldus niet op een geschikte wijze is bekendgemaakt.
De Raad acht daarvoor doorslaggevend, dat het oogmerk van artikel 2,
vierde lid, van de Invoeringsregeling is dat alle betrokkenen (kunnen)
weten wanneer in de desbetreffende gemeente de integrale invoering van
de Wwb is voorzien. Daaraan is in dit geval voldaan.
4.1.8. Wel moet worden vastgesteld dat geen sprake is van een tijdige
bekendmaking, nu deze eerst heeft plaatsgevonden op 14 januari 2004. De
Raad verbindt daaraan het gevolg, dat voor de gemeente Maastricht niet
met ingang van 1 januari 2004 maar voor het eerst met ingang van 14
januari 2004 (ook) toepassing kon worden gegeven aan de bepalingen van
de Wwb waarop de regeling van de gefaseerde invoering ziet, alsmede aan
de betrokken verordeningen.
4.1.9. Gedaagde was derhalve vanaf 14 januari 2004 bevoegd om toepassing
te geven aan artikel 18, tweede lid, van de Wwb. Het uitgangspunt van de
rechtbank dat in dit geval artikel 14 van de Abw en het
Maatregelenbesluit dienen te worden toegepast, is derhalve niet juist.
4.2. Vervolgens stelt de Raad vast dat de rechtbank, ook indien het door
haar gehanteerde uitgangspunt wel juist zou zijn geweest, ten onrechte
zelf in de zaak heeft voorzien. In een geval waarin naar het oordeel van
de bestuursrechter de in het bestreden besluit opgenomen - inhoudelijke
- beslissing ondanks de vernietiging van dat besluit in stand kan
blijven, is het - met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) - in stand laten van de
rechtsgevolgen van het besluit de aangewezen weg. De mogelijkheid om -
met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb - zelf in de
zaak te voorzien, is in het stelsel van artikel 8:72 van de Awb bedoeld
voor die gevallen waarin de bestuursrechter na de vernietiging van het
bestreden besluit een nieuw besluit met een van het oorspronkelijke
besluit afwijkende - inhoudelijke - beslissing aangewezen acht.
4.3. Voorts merkt de Raad nog op dat onderdeel 2 van de beslissing in de
aangevallen uitspraak luidt: “2. Voorziet zelf in de zaak, zoals
gemotiveerd weergegeven in deze uitspraak, en verklaart daarbij het
bezwaar gegrond”. Een dergelijke wijze van beslissen is niet in
overeenstemming met (de strekking van) artikel 8:72 van de Awb. Indien
zelf in de zaak wordt voorzien, dient de inhoud van het besluit op
bezwaar (of, bij een rechtstreeks beroep, van het primaire besluit) dat
in de plaats treedt van het vernietigde besluit, te worden opgenomen in
de beslissing van de uitspraak en niet (slechts) in het lichaam daarvan.
4.4. Uit het in de onderdelen 4.1, 4.2 en 4.3 overwogene volgt dat de
aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven voor zover de rechtbank
daarbij zelf in de zaak heeft voorzien.
5.1. De Raad zal vervolgens bezien of er, gegeven de - in hoger beroep
niet aangevochten - vernietiging door de rechtbank van het besluit van 2
juni 2004, aanleiding is de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te
laten. De Raad zal daartoe eerst het niet verschijnen door appellant op
de oproepingen van gedaagde voor een doelmatigheidsonderzoek op 3
februari 2004 en 10 februari 2004 bespreken (in onderdeel 5.2) en
vervolgens het niet verschijnen op de uitnodigingen van Yonder voor een
intakegesprek op 9 december 2003 en 18 december 2003 (in onderdeel 5.3).
5.2.1. Het niet verschijnen op de oproepingen van gedaagde voor 3
februari 2004 en 10 februari 2004 heeft plaatsgevonden nadat voor de gemeente Maastricht
de Wwb volledig van kracht was geworden, zodat buiten twijfel is dat met
betrekking tot deze gedragingen van appellant - uitsluitend - toepassing
van artikel 18, tweede lid, van de Wwb en de Afstemmingsverordening aan
de orde is.
5.2.2. Artikel 18, tweede lid, van de Wwb luidt:
“Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college [van
burgemeester en wethouders] tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel
de uit deze wet dan de wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste
lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
voortvloeiende verplichtingen niet of niet voldoende nakomt, waaronder
begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, verlaagt
het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onderdeel b, de bijstand. Van een verlaging wordt afgezien, indien
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.”
5.2.3. De Raad merkt allereerst op dat, gelet op artikel 4, eerste lid,
van de IWwb, voor appellant uit artikel 17, tweede lid, van de Wwb de
verplichting voortvloeide om desgevraagd de medewerking te verlenen die
nodig is voor de uitvoering van de Wwb. De uitkering van appellant
hoefde daartoe niet eerst op grond van artikel 4, derde lid, van de IWwb
in overeenstemming met de Wwb te worden gebracht.
5.2.4. Hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt de Raad, met de
rechtbank, niet tot de conclusie dat appellant op goede gronden niet op
de oproepingen van gedaagde is verschenen. Gedaagde heeft derhalve
terecht vastgesteld dat appellant de gevraagde medewerking niet heeft
verleend en aldus de uit artikel 17, tweede lid, van de Wwb voortvloeiende verplichting niet is nagekomen. Nu uit het voorgaande
tevens volgt dat niet kan worden gezegd dat elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt, was gedaagde gehouden de bijstand van
appellant te verlagen.
5.2.5. In dit verband merkt de Raad, in algemene zin, nog het volgende
op. De tekst van artikel 18, tweede lid, eerste volzin, van de Wwb bevat
de zinsnede “naar het oordeel van het college”. De memorie van
toelichting bij artikel 18 van de Wwb (Tweede Kamer, vergaderjaar
2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 47-48) bevat de volgende passage:
“Dit artikel komt in de plaats van het boeten- en maatregelenbeleid in
de Abw. Het opleggen van een boete of maatregel wordt vervangen door een
aanpassing van de uitkering. Wanneer burgemeester en wethouders
constateren dat de belanghebbende zich niet aan de uit deze wet
voortvloeiende verplichtingen (…) houdt of anderszins onvoldoende
besef van verantwoordelijkheid toont, zijn zij gehouden de bijstand te
verlagen. Dit houdt ook in dat als betrokkene aan burgemeester en
wethouders geen juiste informatie heeft verstrekt die van belang is voor
het recht op uitkering, burgemeester en wethouders de uitkering lager
kunnen vaststellen.”
Nog daargelaten dat niet duidelijk is of de zinsnede “naar het oordeel
van het college” ziet op alle in artikel 18, tweede lid, eerste
volzin, van de Wwb vermelde normschendingen, is de Raad gelet op zowel
de geciteerde passage in de memorie van toelichting als de aard van deze
normschendingen van oordeel dat de wetgever niet heeft beoogd om, in
afwijking van de Abw, aan het betrokken bestuursorgaan
beoordelingsvrijheid toe te kennen met betrekking tot de vraag of in het
concrete geval sprake is van handelen of nalaten van de belanghebbende
dat een grondslag oplevert voor het opleggen van een (bestuurlijke)
sanctie. De bestuursrechter dient een dergelijke vaststelling van het
bestuursorgaan dan ook “vol” te toetsen.
5.2.6. Op grond van artikel 15 van de Afstemmingsverordening bedraagt de
verlaging voor het niet verschijnen op de oproepingen van gedaagde 5%
van de bijstand gedurende één maand. Er is geen grond om - met
toepassing van artikel 2, tweede lid, eerste volzin, van de
Afstemmingsverordening - in dit geval tot een lager bedrag te komen,
zodat gedaagde terecht de bijstand van appellant gedurende één maand
met 5% van de bijstand heeft verlaagd.
5.2.7. Voor de goede orde stelt de Raad tevens vast dat de in dit geval
opgelegde verlaging niet kan worden aangemerkt als een punitieve
(bestraffende) sanctie.
5.2.8. De Raad merkt aansluitend nog het volgende op. In artikel 2,
derde lid, van de Afstemmingsverordening is bepaald dat van verlaging
van de bijstand wegens het niet of niet voldoende nakomen van de aan de
bijstand verbonden verplichtingen, kan worden afgezien indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn. Nu in hetgeen is aangevoerd geen
aanknopingspunt kan worden gevonden om aan te nemen dat appellant heeft
willen betogen dat dergelijke dringende redenen aanwezig zijn, is voor
toetsing aan artikel 2, derde lid, van de Afstemmingsverordening in dit
geval geen plaats.
5.3.1. Het niet verschijnen op de uitnodigingen van Yonder voor 9
december 2003 en 18 december 2003 heeft plaatsgevonden voordat voor de gemeente
Maastricht de Wwb volledig van kracht was geworden. Daarmee ligt de
vraag voor of - ook - met betrekking tot deze gedragingen toepassing kon
worden gegeven aan artikel 18, tweede lid, van de Wwb en de
Afstemmingsverordening.
5.3.2. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 21 april 2005 (LJN:
AT4358, gepubliceerd in JWWB 2005, nr. 224, RSV 2005, nr. 163, en USZ
2005, nr. 204) is de Raad van oordeel dat ook voor artikel 18, tweede
lid, van de Wwb geldt dat uit het ontbreken van specifieke bepalingen
van overgangsrecht terzake en uit de geschiedenis van de totstandkoming
van de IWwb kan worden afgeleid dat de wetgever hantering van artikel
18, tweede lid, van de Wwb uitdrukkelijk heeft beoogd ook voor zover de
verlaging van de bijstand betrekking heeft op een gedraging die vooraf
is gegaan aan het van kracht worden van artikel 18, tweede lid, van de Wwb.
5.3.3. Bij de beantwoording van de vervolgens aan de orde komende vraag
hoe de in artikel 18, tweede lid, van de Wwb aan het betrokken
bestuursorgaan toegekende - imperatieve - bevoegdheid in een dergelijk geval dient te worden
gehanteerd, geldt dat niet alleen moet zijn voldaan aan de uit die
bepaling blijkende voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid,
maar ook dat de hantering van de bevoegdheid niet in strijd mag komen
met de rechtszekerheid en, voor zover het een punitieve sanctie betreft,
artikel 7, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de
Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en
artikel 15, eerste lid, eerste en tweede volzin, van het Internationaal
Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR).
5.3.4. Dit betekent allereerst dat de gedraging waarvoor het
bestuursorgaan voornemens is de bijstand te verlagen, zowel onder de Wwb
als onder de Abw grondslag voor het opleggen van een sanctie dient te
zijn. Indien de gedraging niet (ook) onder de Wwb grondslag voor het
opleggen van een sanctie is, is niet voldaan aan de voorwaarden voor
toepassing van artikel 18, tweede lid, van de Wwb, zodat dan geen
verlaging kan worden opgelegd. Indien de gedraging onder de Wwb wel maar
onder de Abw niet grondslag voor het opleggen van een sanctie is,
verzetten de rechtszekerheid en, voor zover het een punitieve sanctie
betreft, artikel 7, eerste lid, eerste volzin, van het EVRM en artikel
15, eerste lid, eerste volzin, van het IVBPR zich tegen toepassing van
artikel 18, tweede lid, van de Wwb.
5.3.5. Is de gedraging zowel onder de Wwb als onder de Abw grondslag
voor het opleggen van een sanctie, dan dient het bestuursorgaan
vervolgens bij de uitoefening van de in artikel 18, tweede lid, van de Wwb
neergelegde bevoegdheid te bezien of het (standaard)sanctieregime
onder de Wwb een zwaardere sanctie voorschrijft dan het
(standaard)sanctieregime
onder de Abw. Is dit het geval, dan verzetten de rechtszekerheid en,
voor zover het een punitieve sanctie betreft, artikel 7, eerste lid,
tweede volzin, van het EVRM en artikel 15, eerste lid, tweede volzin,
van het IVBPR, zich tegen onverkorte toepassing van het sanctieregime
onder de Wwb en dient het (standaard)sanctieregime onder de Abw tot
uitgangspunt te worden genomen bij de vaststelling van de omvang en de
duur van de op te leggen verlaging.
5.3.6. De Raad stelt vervolgens vast dat de verplichting voor appellant
om gevolg te geven aan de uitnodigingen van Yonder voor 9 december 2003
en 18 december 2003 onder de Wwb haar grondslag vindt in artikel 9,
eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb en onder de Abw in artikel
113, eerste lid, aanhef en onder e, van de Abw.
5.3.7. Hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot de
conclusie dat appellant op goede gronden niet op de uitnodigingen van
Yonder is verschenen. Dat geldt zowel voor de door appellant overgelegde
medische gegevens als voor zijn, niet onderbouwde, stelling dat hij uit
zijn contacten met J. Weevers van Yonder kon begrijpen dat hij op de
oproepingen niet hoefde te verschijnen. Dat hij op 5 januari 2004 aan
Weevers heeft gemeld dat hij ziek was en daarom niet op de uitnodigingen
is verschenen, maakt dit niet anders. Daar komt bij dat bij de
uitnodigingen is vermeld dat bij verhindering afmelding diende plaats te
vinden. De Raad wijst er verder op dat blijkens een rapportage van
bijstandsconsulente E. Theunissen van 5 november 2003 appellant tevoren
al kenbaar had gemaakt niet te zullen meewerken aan het trajectplan en
dus ook niet aan de Rea-toets. De Raad kan appellant eveneens niet
volgen in zijn stelling dat gedaagde jegens hem ten onrechte vooruit is
gelopen op de volledige invoering van de Wwb voor de gemeente
Maastricht. Het ten behoeve van appellant opgestelde - en door hem
ondertekende - trajectplan vindt immers zijn grondslag in (artikel 70,
derde lid, van) de Abw en niet in de Wwb. Nu voorts niet kan worden
gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, was gedaagde dan ook
gehouden met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de Wwb de
bijstand van appellant te verlagen.
5.3.8. Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel 1, onder b,
in verbinding met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de
Afstemmingsverordening bedraagt de in dit geval op te leggen sanctie 10%
van de bijstand gedurende één maand. De ingevolge artikel 3, tweede
lid, aanhef en onder b, en artikel 5 eerste lid, aanhef en onder b, van
het Maatregelenbesluit op te leggen maatregel bedraagt eveneens 10% van
de bijstand gedurende één maand. Van enig beletsel voor onverkorte
toepassing van het sanctieregime van artikel 18, tweede lid, van de Wwb en de Afstemmingsverordening is daarom in dit geval geen sprake. Er is
voorts geen grond om, met toepassing van artikel 2, tweede lid, eerste
volzin, van de Afstemmingsverordening, tot een lager bedrag te komen.
Uit het voorgaande volgt dat gedaagde terecht de bijstand van appellant
gedurende één maand met 10% heeft verlaagd.
5.3.9. Voor de goede orde stelt de Raad nog vast dat ook de in dit geval
opgelegde verlaging niet kan worden aangemerkt als een punitieve
sanctie.
5.4. Op grond van het in de onderdelen 5.2 en 5.3 overwogene is de Raad
van oordeel dat er aanleiding is de rechtsgevolgen van het besluit van 2
juni 2004 in stand te laten.
6. In die omstandigheden is voor een veroordeling tot schadevergoeding
geen ruimte, zodat de aangevallen uitspraak in stand kan blijven voor
zover de rechtbank daarbij het verzoek om veroordeling tot
schadevergoeding heeft afgewezen.
7. De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in hoger beroep, begroot op € 644,-- voor
verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij,
zelf in de zaak voorziend, het bezwaar van appellant tegen het besluit
van 22 maart 2004 gegrond heeft verklaard en - met toepassing van
artikel 14 van de Abw en het Maatregelenbesluit - heeft bepaald dat aan
appellant gedurende de maand maart 2004 een maatregel wordt opgelegd van
10% van de bijstand en een maatregel van 5% van de bijstand;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde
besluit op bezwaar van 2 juni 2004 in stand blijven;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij het
verzoek van appellant om gedaagde te veroordelen tot schadevergoeding
heeft afgewezen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Maastricht
aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Maastricht aan appellant het in hoger beroep
betaalde griffierecht van € 102,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. W.I. Degeling als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 december 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) M. Pijper.
|
|