|
Uitspraak
04/234 NABW en 04/6602 WWB
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het dagelijks bestuur van de Regionale sociale dienst Pentasz
Mergelland, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Ingevolge een gemeenschappelijke regeling treedt in deze gedingen
gedaagde in de plaats van het college van burgemeester en wethouders van
de gemeente Vaals. In deze gedingen wordt onder gedaagde mede dat
college verstaan.
Namens appellant heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16
december 2003, reg.nr. 03/1362 NABW. Tevens heeft mr. Nadaud namens
appellant hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 1 oktober 2004, reg.nr.
04/1024 WWB.
Gedaagde heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn, gevoegd met het geding onder procedurenummer 04/5552
NABW, behandeld ter zitting van 8 november 2005, waar appellant is
verschenen, bijgestaan door mr. Nadaud, en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door L. Klinkers, werkzaam bij Pentasz
Mergelland. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de
gevoegde gedingen weer gesplitst. In de onderhavige gedingen wordt heden
afzonderlijk van het geding met procedurenummer 04/5552 NABW uitspraak
gedaan.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar de aangevallen
uitspraken. Hij volstaat hier, gelet op de gedingstukken en het
verhandelde ter zitting, met het volgende.
Appellant exploiteert een bedrijf. In verband met tijdelijke
liquiditeitsproblemen heeft hij op 9 december 2002 gedaagde verzocht om
bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal ter grootte
van € 150.000,-- en om een periodieke bijdrage van € 4.000,-- per
maand, een en ander op basis van het Besluit bijstandsverlening
zelfstandigen (Bbz). Bij besluit van 26 maart 2003 heeft gedaagde deze
aanvraag afgewezen.
Op 29 april 2003 heeft appellant gedaagde verzocht om bijstand ter
voorziening in de kosten van levensonderhoud, wederom op basis van het
Bbz. Uit de bijlagen bij dit verzoek blijkt dat appellant onder meer een
bedrijfskrediet wenst van € 120.000,--. Bij besluit van gedaagde van
11 juli 2003 is deze aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 18 september 2003 heeft gedaagde - voorzover in deze
gedingen van belang - de tegen de besluiten van 26 maart 2003 en 11 juli
2003 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
Hangende de behandeling van het beroep heeft IMK Intermediair (IMK) op
verzoek van de rechtbank advies uitgebracht. Het IMK heeft geadviseerd
aan appellant een bedrijfskrediet van € 150.000,-- te verlenen, en
daaraan - onder meer - de voorwaarde te verbinden dat ten gunste van de
gemeente Vaals een tweede hypotheek wordt gevestigd op de woning van
appellant aan de [adres] te [woonplaats].
Bij de aangevallen uitspraak van 16 december 2003 heeft de rechtbank -
met bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht - het beroep
tegen het besluit van 18 september 2003 gegrond verklaard. De rechtbank
heeft dat besluit vernietigd voorzover het betreft de afwijzing van het
bedrijfskrediet en, zelf voorziend, de primaire besluiten herroepen en
bepaald dat aan appellant een bedrijfskrediet van € 150.000,-- wordt
verleend onder de door het IMK gestelde voorwaarden. De rechtbank heeft
het besluit van 18 september 2003 tevens vernietigd voorzover het
betreft de afwijzing van bijstand in de bestaanskosten, en gedaagde
opgedragen in zoverre, met inachtneming van de uitspraak, een nieuw
besluit op bezwaar te nemen.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd,
voorzover daarbij aan de verlening van het krediet de voorwaarde tot
vestiging van een tweede hypotheek op zijn woning is verbonden.
Gedaagde heeft in de eerste plaats uitvoering aan deze uitspraak gegeven
in die zin dat een overeenkomst wegens geldlening tot het bedrag van €
150.000,-- met appellant is gesloten. Tevens is een tweede hypotheek op
de woning van appellant ten gunste van de gemeente Vaals gevestigd.
Voorts heeft gedaagde aan deze uitspraak uitvoering gegeven door op 8
juni 2004 een nieuw besluit op bezwaar te nemen voorzover het betreft de
kosten van levensonderhoud. Bij dat besluit heeft gedaagde geweigerd om,
naast het reeds verleende bedrijfskrediet, bijstand voor levensonderhoud
te verlenen, op de grond dat in het krediet een voorziening voor
levensonderhoud is begrepen.
Bij de aangevallen uitspraak van 1 oktober 2004 heeft de
voorzieningenrechter - met bepalingen omtrent de proceskosten en het
griffierecht - het besluit van 8 juni 2004 vernietigd, en bepaald dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Appellant heeft deze uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden
voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
zijn gelaten.
Bij besluit van 29 oktober 2004 heeft gedaagde, voorzover hier van
belang, aan appellant een krediet toegekend ten bedrage van € 165.216,--, onder meer onder
de bepaling dat dit krediet mede wordt bestemd voor de aflossing van het
nog openstaande saldo van het eerder verleende krediet van €
150.000,-- , en onder de voorwaarde dat wordt meegewerkt aan de
vestiging van een hypotheek op de onroerende goederen van appellant.
Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, uitsluitend voorzover
het betreft de zojuist genoemde voorwaarde. Ook deze lening is geëffectueerd
en met deze lening is de eerdere lening afgelost. De aan de eerdere
lening verbonden hypotheek op de woning van appellant is doorgehaald
nadat eenzelfde hypothecaire zekerheid was gesteld ten aanzien van de
lening van € 165.216,--.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ten aanzien van de bestreden voorwaarde tot het vestigen van een
hypotheek
Van de zijde van gedaagde is ter zitting bepleit dat appellant in dit
geding niet-ontvankelijk wordt verklaard. Daartoe is aangevoerd dat de
lening van € 150.000,-- is afgelost en dat de aan die lening
gerelateerde hypotheek is doorgehaald. Naar het oordeel van de Raad
heeft appellant evenwel nog een voldoende concreet, processueel belang
bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak op dit onderdeel.
Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de voorwaarde tot vestiging van
een tweede hypotheek op de woning van appellant ook is verbonden aan de
nieuwe lening en dat hierover nog een bezwaarprocedure loopt die, zo is
ter zitting van de Raad gebleken, is opgeschort in afwachting van de
uitspraak van de Raad over dit geschilpunt in de onderhavige gedingen.
Appellant stelt zich op het standpunt, onder verwijzing naar de
uitspraak van de Raad van 30 september 2003, reg.nr. 01/4071 NABW, dat
het stellen van de voorwaarde tot vestiging van een hypotheek op de
woning van een zelfstandige zoals appellant niet is toegestaan.
Deze beroepsgrond slaagt. Appellant heeft in de eerste plaats terecht
aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, in de hiervoor
genoemde uitspraak van de Raad van 30 september 2003 evenals in de
onderhavige kwestie sprake is van een aan de verlening van een
bedrijfskrediet verbonden voorwaarde tot vestiging van een hypotheek op
de woning van de zelfstandige. De Raad overweegt voorts het volgende.
De verlening van bijstand aan een belanghebbende die eigenaar is van een
door hemzelf bewoonde woning is geregeld in artikel 20 van de Algemene
bijstandswet (Abw). Artikel 20, tweede lid, van de Abw bepaalt dat,
indien voor deze belanghebbende recht op bijstand bestaat, de bijstand
de vorm heeft van een geldlening onder verband van hypotheek. Ingevolge
artikel 20, zesde lid, aanhef en onder a, geldt - onder meer - het
tweede lid van dat artikel niet voor zelfstandigen. Blijkens de
geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling dient uitgangspunt
te zijn dat alle beschikbare vermogensbestanddelen, inclusief het
vermogen dat is belegd in de eigen woning en dat een belangrijke functie
vervult bij het aantrekken van vreemd vermogen, bestemd zijn voor het
bedrijf of zelfstandig beroep (Kamerstukken II, 1991-1992, 22 545, nr.
3). In het Bbz is evenmin grondslag te vinden voor verlening van
bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek op de
door de zelfstandige bewoonde woning.
De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de rechtbank in
strijd met de wet aan de verlening van het bedrijfskrediet van €
150.000,-- de voorwaarde heeft verbonden tot het vestigen van een
hypotheek op de woning van appellant.
Ten aanzien van de bijstand voor levensonderhoud
Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dit in het verleende
bedrijfskrediet van € 150.000,-- niet een voorziening voor de noodzakelijke bestaanskosten
is begrepen, met name gelet op de bestemming van dat krediet zoals in
het advies van het IMK is aangegeven. Verder is hij van mening dat de
rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat hem bijstand in de
bestaanskosten is onthouden gedurende de periode vanaf zijn aanvraag om
bijstand tot de datum waarop het krediet uiteindelijk is verleend, en
dat een Bbz-krediet niet is bedoeld om de bestaanskosten tijdens zo’n
lange periode te financieren. Hem had in ieder geval een voorschot voor
het bestrijden van de kosten van levensonderhoud verstrekt moeten
worden, aldus appellant.
Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellant zich thans op het
standpunt stelt dat met de verlening van de lening van € 165.216,--,
zij het achteraf, voor de gehele periode vanaf de aanvraagdatum is
voorzien in het noodzakelijke bedrijfskrediet en in de noodzakelijke
kosten van levensonderhoud. Verder is bij die gelegenheid gebleken dat
appellant met het hoger beroep niet (langer) beoogt te bereiken dat hem
een bedrag aan bijstand voor levensonderhoud wordt nabetaald over deze
periode. Het gaat appellant er om dat over zijn rechtspositie in de
periode tussen de aanvraag en de kredietverlening een principiële
uitspraak wordt gedaan. Naar het oordeel van de Raad is dit evenwel
onvoldoende om een concreet processueel belang van appellant bij een
beoordeling van de aangevallen uitspraak aan te nemen. De Raad heeft al
vaker overwogen dat het de taak van de rechter is om geschillen te
beslechten en niet om op verzoek van (een van de) partijen bij wijze van
voorlichting overwegingen van principiële aard in zijn uitspraken op te
nemen.
Ook overigens is de Raad niet gebleken dat appellant nog belang heeft
bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak betreffende het
onderhavige geschilpunt.
Slotoverwegingen
Uit het voorgaande volgt dat de uitspraak van 16 december 2003,
voorzover daarbij aan het verleende krediet van € 150.000,-- de
voorwaarde is verbonden tot het vestigen van een hypotheek op de woning
van appellant, dient te worden vernietigd wegens strijd met de wet.
De Raad ziet daarin aanleiding gedaagde te veroordelen in de kosten die
appellant voor het voeren van deze procedure in hoger beroep heeft
moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende
rechtsbijstand.
Het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van 1
oktober 2004 dient niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat een
procesbelang bij appellant niet langer aanwezig is. In dat geding ziet
de Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
in het geding met procedurenummer 04/234 NABW:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij aan de toekenning
van het bedrijfskrediet van € 150.000,-- aan appellant de voorwaarde
tot het vestigen van een hypotheek op zijn woning is verbonden;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 644,--, te betalen door Pentasz Mergelland;
Bepaalt dat Pentasz Mergelland het door appellant betaalde griffierecht
van € 87,-- vergoedt.
in het geding met procedurenummer 04/6602 NABW:
Verklaart het hoger beroep tegen de uitspraak van 1 oktober 2004
niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter, en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C.
de Wit, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 december
2005.
(get.) R.M. van Male.
(get.) P.C. de Wit.
|
|