|
Uitspraak
04/5917 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft B.H.F.M. de Boer hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 oktober 2004, reg.nr. 04/526 WWB.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 november 2005, waar appellant
niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen
door C.W.M.G. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Venlo.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontving sedert 9 april 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de
Wet werk en bijstand (Wwb).
Bij besluit van 6 februari 2004 heeft gedaagde het recht op bijstand van
appellant met ingang van 1 januari 2004 opgeschort op de grond dat
appellant het informatieformulier over de periode van 1 januari 2004 tot
en met 31 januari 2004 (verder: het informatieformulier) niet op 2
februari 2004 bij gedaagde heeft ingeleverd. Gedaagde heeft daarbij
tevens meegedeeld dat het recht op bijstand met ingang van 1 januari
2004 wordt beëindigd indien het informatieformulier niet vóór 16
februari 2004 is ingeleverd.
Bij besluit van 18 februari 2004 heeft gedaagde het recht op bijstand
van appellant met ingang van 1 januari 2004 ingetrokken.
Bij besluit 27 april 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit
van 18 februari 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 27 april 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt allereerst vast dat tegen het opschortingsbesluit van 6
februari 2004 geen rechtsmiddel is aangewend, zodat dit thans in rechte
vast staat.
Het besluit tot intrekking is gebaseerd op artikel 54, vierde lid, van
de Wwb. Dit artikellid bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval
bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor
gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het
besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de
eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Vaststaat dat appellant het informatieformulier niet vóór 16 februari
2004 heeft ingeleverd, hoewel hij er uitdrukkelijk op gewezen is dat dit
zal leiden tot beëindiging van het recht op bijstand. Dit verzuim is
appellant aan te rekenen. Dat appellant, zoals hij stelt, problemen
heeft met de Nederlandse taal staat daar niet aan in de weg. Het ligt op
de weg van appellant bij taalproblemen hulp van derden in te roepen. In
dit verband merkt de Raad op dat de vader van appellant tot januari 2004
de informatieformulieren voor zijn zoon invulde. Ook de grief dat
appellant niet in de gelegenheid is geweest het informatieformulier vóór
16 februari 2004 in te leveren vanwege zijn geestelijke toestand, slaagt
naar het oordeel van de Raad niet. Weliswaar kan uit de gedingstukken
worden afgeleid dat appellant behept is met het ADHD-syndroom, maar niet
is gebleken dat dit syndroom hem heeft verhinderd het
informatieformulier vóór 16 februari 2004 in te leveren.
Met het voorgaande is gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van
artikel 54, vierde lid, van de Wwb is voldaan. Gemachtigde van gedaagde
heeft ter zitting aangegeven dat gedaagde van zijn bevoegdheid om het
recht op bijstand met ingang van 1 januari 2004 in te trekken gebruik
heeft gemaakt omdat als gevolg van het ontbreken van het informatieformulier het recht op bijstand vanaf 1 januari 2004 niet kan worden
vastgesteld en zich geen bijzondere omstandigheden voordoen op grond
waarvan van intrekking zou moeten worden afgezien. De Raad ziet geen
grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid
tot intrekking van het recht op bijstand gebruik heeft kunnen maken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C.
Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 december
2005.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) R.C. Visser.
|
|