|
Uitspraak
05/5952 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 6 september 2005,
reg.nrs. 05/1632 en 05/1633.
Namens gedaagde heeft mr. J. Roose, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse
Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 29 november 2005, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. Overhof, werkzaam bij
de gemeente Maastricht, en waar gedaagde in persoon is verschenen,
bijgestaan door mr. J. Roose.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Gedaagde woont op het motorjacht "[naam motorjacht]". Hij
houdt dit jacht onder zich in verband met een vordering die hij stelt te
hebben op de eigenaar van dat jacht. Gedaagde heeft geen vaste ligplaats
voor het jacht. Blijkens de toelichting op zijn aanvraag om bijstand
ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) meert hij het jacht af op
verschillende plaatsen in de gemeente Maastricht en is hij voor de elektriciteitsvoorziening afhankelijk van een voorziening aan de wal of
van een binnenvaartschip waar hij langszij afmeert.
Bij besluit van 27 april 2005, voorzover hier van belang, heeft
appellant gedaagde recht op bijstand toegekend naar de norm voor een
alleenstaande. Op de toeslag, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Wwb, is een verlaging toegepast van 15% van het
nettominimumloon (een
bedrag van 172,47).
Bij besluit van 21 juli 2005 heeft appellant het tegen het besluit van
27 april 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de
rechtbank Maastricht - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het tegen het
besluit van 21 juli 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit
besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar
te nemen. Naar het oordeel van die rechter heeft appellant zich ten
onrechte op het standpunt gesteld dat gedaagde geen woonkosten als
bedoeld in de Verordening toeslagen en verlagingen bijstandsnormen 2005
van de gemeente Maastricht heeft. Vervolgens heeft die rechter - naar de
Raad aanneemt met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, eerste
volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - een voorlopige
voorziening getroffen en bepaald dat de voorlopige voorziening vervalt
zes weken na het nieuwe besluit op bezwaar.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 3, zesde lid, van de Wwb bepaalt dat in deze wet en de daarop
berustende bepalingen onder een woning mede wordt verstaan een woonwagen
of een woonschip.
Ingevolge het bepaalde in artikel 27 van de Wwb kan appellant de norm,
bedoeld in de artikelen 20 en 21, of de toeslag, bedoeld in artikel 25,
lager vaststellen voorzover de belanghebbende lagere algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de
toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen
het niet aanhouden van een woning.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wwb stelt de
gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verhogen en
verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30 van de Wwb. Artikel 30,
eerste lid, van de Wwb bepaalt dat de gemeenteraad vaststelt voor welke
categorieλn de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke
criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.
Verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de
toeslag vindt ingevolge artikel 30, vierde lid, van de Wwb plaats
onverminderd artikel 18, eerste lid, van de Wwb.
Ter uitvoering van de artikelen 8 en 30 van de Wwb heeft de raad van de
gemeente Maastricht de Verordening toeslagen en verlagingen
bijstandsnormen 2005 van de gemeente Maastricht (verder: de Verordening)
vastgesteld.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de Verordening
wordt de norm en/of toeslag lager vastgesteld indien de alleenstaande,
de alleenstaande ouder of de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke
kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet
als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het aanhouden van
een woning. Onder woonkosten wordt ingevolge artikel 1, eerste lid,
aanhef en onder i, van de Verordening verstaan:
1. indien een huurwoning wordt bewoond, de op
de aanvangsdatum van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende
huurprijs als bedoeld in de Huursubsidiewet;
2. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand
omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning
verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben
van de woning te betalen zakelijke lasten, waarbij onder zakelijke
lasten worden verstaan: de rioolrechten, het eigenaarsdeel van de
onroerendezaakbelasting, de brandopstalverzekering, het eigenaarsdeel
van de waterschapslasten, erfpachtcanon, kosten van Vereniging van
Eigenaren, kosten voor groot onderhoud en ingrijpende reparaties
(volgens tabel Ministerie VROM bij vaststelling exploitatiekosten
woningbouwcorporaties). De te ontvangen rijkssubsidie voor
premiewoningen dient op de verschuldigde rente in mindering te worden
gebracht, naar rato van de verhouding rente/aflossing.
Met inachtneming van voormelde bepalingen stelt de Raad eerst vast dat
gedaagde huurder noch eigenaar is van het motorjacht en dat voor
gedaagde aan het wonen op het motorjacht [naam motorjacht] geen
woonkosten zijn verbonden als bedoeld in de Verordening. Aan de
voorwaarden voor toepassing van artikel 6, eerste lid, van de
Verordening is dan ook voldaan.
Artikel 6, tweede lid, van de Verordening bepaalt dat de verlaging,
bedoeld in het eerste lid, 15% van het nettominimumloon bedraagt.
Anders dan namens gedaagde in het verweerschrift is gesteld ziet de Raad
geen grond om te oordelen dat deze bepaling zich niet verdraagt met de Wwb. Overeenkomstig artikel 30 van de
Wwb gaat de Verordening uit van
een categoriale benadering, en een belanghebbende kan daaruit concreet
afleiden welke verlaging van de toeslag uit de Verordening voortvloeit
in de gevallen dat van woonkosten in de zin van de Verordening geen
sprake is.
Het vorenstaande laat onverlet de mogelijkheid om de toeslag met een
lager percentage dan 15% van het nettominimumloon te verlagen of van
verlaging af te zien op grond van artikel 30, vierde lid, in verbinding
met artikel 18, eerste lid, van de Wwb. Laatstgenoemd artikel bevat de
verplichting de bijstand af te stemmen op de omstandigheden,
mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Deze verplichting kan
in zeer bijzondere situaties meebrengen dat bij de verlening van
bijstand op grond van de omstandigheden van het individuele geval wordt
afgeweken van de in artikel 6 van de Verordening neergelegde regels voor
de verlaging. Van een zeer bijzondere situatie die een dergelijke
afwijking zou kunnen rechtvaardigen is de Raad in het geval van gedaagde
niet gebleken. De Raad merkt daarbij op dat gedaagde de elektriciteitskosten
die hij maakt om het motorjacht te bewonen, dient te voldoen uit het
bedrag van de op hem van toepassing zijnde norm, vermeerderd met de voor
hem vastgestelde toeslag. Voorzover er sprake is van kosten voor het in
goede staat houden van het motorjacht, vloeien deze voort uit de keuze
van gedaagde om dat jacht onder zich te blijven houden in verband met
door hem gestelde, in het verleden door de eigenaar van dat jacht
toegebrachte schade. Deze kosten kunnen niet tot de noodzakelijke
bestaanskosten van appellant worden gerekend.
Het hoger beroep slaagt. De Raad acht het aangewezen de aangevallen
uitspraak in zijn geheel te vernietigen. Doende hetgeen de rechtbank zou
behoren te doen, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren. Voor het
treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen grond.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr.
P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 januari
2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
|
|