|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/4865 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Almelo van 31 augustus 2004, reg.nr. 04/40 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 22 november 2005, waar appellant
is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. B.J. Eising, werkzaam bij de gemeente Enschede.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellant heeft gedaagde op 11 juli 2003 verzocht hem bijzondere
bijstand te verlenen voor de kosten van belastingaanslagen wegens te
veel ontvangen algemene heffingskorting over de jaren 2002 en 2003. Bij
besluit van 16 juli 2003 heeft gedaagde dat verzoek afgewezen.
Bij besluit van 18 november 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 16 juli 2003 gegrond verklaard in die zin, dat alsnog
bijzondere bijstand voor genoemde kosten is verleend in de vorm van
leenbijstand.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 18 november 2003 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad is allereerst van oordeel dat, gelet op het bepaalde in artikel
21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet werk en
Bijstand, de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte de Wet
werk en bijstand van toepassing heeft geacht in plaats van de Algemene
bijstandswet (Abw). Uit genoemde bepaling volgt onder meer dat op een
bezwaarschrift dat vσσr de peildatum, 31 december 2003, is ingediend
tegen een door het College op grond van de Abw genomen besluit en waarop
op de peildatum nog niet onherroepelijk is beslist, wordt beslist met
toepassing van de Abw. Deze situatie doet zich in het geval van
appellant voor. Gedaagde heeft derhalve terecht de bepalingen van de Abw
van toepassing geacht.
De Raad deelt het standpunt van partijen dat de onderhavige
bijstandsverlening de gedeeltelijke of volledige aflossing van een
schuldenlast betreft. Daarmee is gegeven dat is voldaan aan de
voorwaarde voor toepassing van artikel 24, aanhef en onder d, van de Abw.
Op grond van die bepaling was gedaagde dan ook bevoegd om de bijstand in
de vorm van een geldlening aan appellant te verstrekken. De Raad staat
in dit geding voor beantwoording van de - partijen verdeeld houdende -
vraag of gedaagde in dit geval in redelijkheid van die bevoegdheid
gebruik heeft kunnen maken.
De onderhavige schuld van appellant is ontstaan nadat was gebleken dat
appellant en zijn partner over de jaren 2002 en 2003 twee keer algemene
heffingskorting hadden ontvangen. Uit het besluit van 18 november 2003
en het daaraan ten grondslag liggende advies van de Commissie
bezwaarschriften blijkt dat gedaagde heeft geconcludeerd dat appellant
hierover in het kader van de uitbetaling van zijn Ioaw-uitkering vanwege
de gemeente Enschede niet op correcte wijze is voorgelicht. De Raad
heeft echter onvoldoende aanleiding gevonden voor het oordeel dat de
gevolgen hiervan geheel langs de weg van het verlenen van bijzondere
bijstand om niet dienden te worden afgedekt. Ook naar het oordeel van de
Raad kan er in dit verband niet aan worden voorbijgezien dat appellant
in de betreffende jaren ten onrechte een belastingvoordeel heeft
genoten. Verlening van bijzondere bijstand om niet zou er in feite op
neerkomen dat appellant dit voordeel behoudt. In aanmerking genomen dat
appellant destijds zelf heeft gesignaleerd dat hij teveel aan inkomsten
ontving, heeft het voorts op zijn weg gelegen hierover - in het
bijzonder omtrent het recht op en de (wijze van) betaling van de
algemene heffingskorting - ook opheldering te vragen bij de
belastingdienst.
De Raad ziet dan ook geen grond om te oordelen dat gedaagde niet in
redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn in artikel 24, aanhef
en onder d, van de Abw neergelegde bevoegdheid om de onderhavige
bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken.
Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. C. van Viegen, in tegenwoordigheid van M. Pijper
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2006.
(get.) C. van Viegen.
(get.) M. Pijper.
|
|