|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/161 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. G.J.A.F. Beulen, advocaat te Landgraaf, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8
december 2004, reg.nr. 04/609 WWB.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 6 december 2005, waar appellant
niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen
door mr. P.J.S. Pletzers, werkzaam bij de gemeente Heerlen.
II. MOTIVERING
Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de
volgende feiten en omstandigheden.
Appellant heeft zich op 3 september 2003 bij het Centrum voor werk en
inkomen gemeld om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw)
aan te vragen.
Omdat bij de indiening van de aanvraag niet alle naar het oordeel van
gedaagde benodigde gegevens waren overgelegd, heeft gedaagde bij brief
van 25 september 2003 appellant verzocht om op 3 oktober 2003 bij
gedaagde te verschijnen en alsdan de nog ontbrekende gegevens over te
leggen. Nadat ook op 3 oktober 2003 niet alle gegevens waren overgelegd,
is bij brief van gelijke datum aan appellant nogmaals een hersteltermijn
geboden, thans tot 17 oktober 2003. Daarbij is tevens aan appellant
medegedeeld dat de aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen
indien de gevraagde nadere gegevens niet op deze datum zijn overgelegd.
Appellant heeft gedaagde op 17 oktober 2003 telefonisch medegedeeld zich
ernstig ziek te voelen waardoor hij niet in staat is geweest alle
gevraagde gegevens tijdig te overleggen.
Bij besluit van 4 november 2003 heeft gedaagde appellant onder
verwijzing naar het bepaalde in artikel 4:5 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat de aanvraag niet verder in
behandeling wordt genomen, omdat appellant niet heeft voldaan aan het
verzoek om voor 17 oktober 2003 de gevraagde gegevens in te leveren.
In het kader van de behandeling van het door appellant tegen het besluit
van 4 november 2003 ingediende bezwaarschrift heeft de GGD Oostelijk
Zuid-Limburg op 8 maart 2004 advies uitgebracht aan gedaagde. Gedaagde
heeft in dit advies geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat
appellant wegens psychische klachten en/of lichamelijke klachten
gedurende de periode september en oktober 2003 niet in staat is geweest
aan zijn inlichtingenverplichting jegens gedaagde te voldoen, dan wel
een gemachtigde aan te wijzen om zijn belangen te behartigen.
Bij besluit van 23 maart 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 4 november 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 23 maart 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt voorop dat gedaagde, gelet op artikel 66, eerste lid, van
de Abw, in zijn brief van 3 oktober 2003 op goede gronden de daarin
gevraagde gegevens heeft verzocht, te weten onder meer,
echtscheidingsgegevens; bewijs uitschrijving Kamer van Koophandel; giro
en/of bankafschriften en bewijs van opheffing zakenrekening bij de ING.
Deze zijn immers noodzakelijk om inzicht te krijgen in de inkomens- en
vermogenspositie van appellant, en daarmee ook voor de beoordeling van
zijn recht op bijstand. De Raad merkt hierbij nog op dat uit de
gedingstukken blijkt dat appellant volgens eigen opgave tot augustus
2003 als zelfstandige heeft gewerkt.
Voorts stelt de Raad vast dat de hiervoor vermelde gegevens niet zijn
verstrekt binnen de bij de brief van 3 oktober 2003 gegeven
hersteltermijn tot 17 oktober 2003. De Raad is van oordeel dat niet is
gebleken dat appellant gedurende de hem geboden hersteltermijn niet in
staat is geweest over de gevraagde gegevens te beschikken en deze tijdig
te overleggen, dan wel zijn belangen te laten behartigen door een derde.
Met de rechtbank en gedaagde is de Raad van oordeel dat het hiervoor
genoemde advies van de GGD onvoldoende aanleiding geeft hierover anders
te oordelen. Hierbij merkt de Raad nog op dat appellant op 3 oktober
2003 in staat was bij gedaagde te verschijnen en gedurende de
daaropvolgende hersteltermijn van twee weken geen melding van zijn
ziekte bij gedaagde heeft gemaakt dan wel in verband met zijn ziekte een
nader uitstel heeft verzocht.
Gedaagde was derhalve bevoegd om toepassing te geven aan artikel 4:5,
eerste lid, van de Awb. Niet kan worden gezegd dat gedaagde niet in
redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van mr. P.E.
Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 januari
2006.
(get.) H.J. de Mooij.
(get.) P.E. Broekman.
|
|