|
Uitspraak
04/4606 WWB en 04/4607 WWB
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellanten heeft mr. E.Tj. Van Dalen, advocaat te Groningen,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter
van de rechtbank Leeuwarden van 13 juli 2004, reg.nr. 04/595 WWB.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 5 december 2005 heeft mr. A.C. de Klerk, advocaat te
Rotterdam, zich als opvolgend gemachtigde van appellanten gesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van 6 december 2005, waar
appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. De Klerk, en waar
gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant en appellante ontvingen ieder afzonderlijk bijstand ingevolge
de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande,
respectievelijk alleenstaande ouder. Nadat appellant aan gedaagde had
opgegeven ingaande 1 oktober 2003 een kamer te huren in de woning van
appellante, zijn bij besluit van 30 september 2003 de afzonderlijke
uitkeringen van appellanten ingaande 1 oktober 2003 herzien in één
gezamenlijke uitkering ingevolge de Abw naar de norm voor gehuwden.
Bij besluit van 19 april 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 30 september 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de
rechtbank onder meer het beroep tegen het besluit van 19 april 2004
ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw wordt als
gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander
een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant
in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake
van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf
in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar
door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de
huishouding dan wel anderszins.
Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald
geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord
aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot
het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven
van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van
belang.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten ingaande 1 oktober
2003 hun hoofdverblijf hadden op het adres van appellante.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de
wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van
financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het
uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten.
Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate
sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om
aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een
afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en
omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn
voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een
concreet geval is voldaan.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellante reeds vanaf een datum gelegen
voor de in geding zijnde datum als enige gerechtigd was de bankrekening
van appellant te beheren. Ter zitting heeft appellante nader toegelicht
appellant vanwege zijn alcoholverslaving en dreigende maatschappelijke
teloorgang ter verdere verzorging en resocialisatie in huis te hebben
opgenomen. Hier tegenover stond van de kant van appellant het
incidenteel verrichten van klusjes. Appellanten aten samen, deden samen
boodschappen en maakten samen uitstapjes. De Raad deelt het oordeel van
de voorzieningenrechter van de rechtbank en gedaagde dat met het
vorenstaande is voldaan aan het verzorgingscriterium.
De Raad wijst er in dit verband nog op dat voor het aannemen van een
gezamenlijke huishouding niet vereist is dat, naast het gezamenlijk
hoofdverblijf, door beide betrokken personen een min of meer gelijke
bijdrage in de kosten van de huishouding of anderszins wordt geleverd.
Naar het oordeel van de Raad is door appellanten niet aangetoond dat
sprake was van een door zakelijke verhoudingen beheerste
kostgangersrelatie. Daarbij heeft de Raad onder meer van belang geacht
dat ter zake van de inwoning weliswaar op 29 september 2003 een contract
is opgemaakt, doch dat de overeengekomen bijdrage van € 90,-- per
maand niet als een reële zakelijke vergoeding kan worden beschouwd voor
hetgeen aan onderdak en verzorging werd geboden. Hierbij is verder in
ogenschouw genomen, dat aan appellant - met uitzondering van de
slaapkamers van appellante en haar zoon - de gehele woning ter
beschikking stond. Voorts is ter zitting gebleken dat appellant pas
onlangs daadwerkelijk gestart is met de afbetaling van de verschuldigde
bijdragen.
Nu appellanten ingaande 1 oktober 2003 een gezamenlijke huishouding
voerden in de zin van de Abw, moeten zij vanaf die datum als gehuwd
worden aangemerkt. Om die reden konden zij niet langer worden beschouwd
als zelfstandig subject van bijstand en hadden zij geen recht (meer) op
een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande,
respectievelijk alleenstaande ouder.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en
dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. C. van Viegen als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van
S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17
januari 2006.
(get.) C. van Viegen.
(get.) S.W.H. Peeters.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|