|
Uitspraak
05/3621 WWB en 05/3622 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant 1] en [appellant 2], appellanten, wettelijk vertegenwoordigd
door [wettelijk vertegenwoordiger 1] en [wettelijk vertegenwoordiger 2],
wonende te [woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de
rechtbank Haarlem van 17 mei 2005, reg.nr. 05/1583 WWB en 05/1584 WWB.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 1 november 2005, waar
appellanten en hun ouders, bijgestaan door mr. Fischer, zijn verschenen,
en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door G.S. Woudstra,
werkzaam bij de gemeente Zaanstad.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden.
Appellanten, in Nederland geboren in 1994 respectievelijk 2003, hebben
evenals hun ouders de Ghanese nationaliteit. De ouders van appellanten
hebben lange tijd illegaal in Nederland verbleven. Thans loopt een
procedure over de door hen op 8 oktober 2003 en op 4 februari 2004 aangevraagde vergunning tot
verblijf in Nederland. Zij mogen de uitkomst van die procedure in
Nederland afwachten. De ouders van appellanten hebben zich op 25 januari
2005 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen voor een
aanvraag om algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb).
Bij besluit van 10 februari 2005 heeft gedaagde de aanvraag om bijstand
afgewezen.
Mr. Fischer heeft namens appellanten bezwaar gemaakt tegen dit besluit,
gedaagde verzocht bij zijn heroverweging hun belangen te betrekken en in
dit verband een beroep gedaan op het Verdrag inzake de rechten van het
kind (Trb. 1990, 170), hierna: IVRK.
Bij besluit van 19 april 2005 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 10 februari 2005 ongegrond verklaard op de grond dat de
doelstelling van de Koppelingswet een voldoende rechtvaardiging vormt
voor ongelijke behandeling van personen die nog niet tot Nederland zijn
toegelaten. Appellanten zijn volgens gedaagde geen personen als bedoeld
in
artikel 11 van de Wwb, en bijstandsverlening wegens zeer dringende
redenen is niet mogelijk op grond van artikel 16, tweede lid, van de Wwb.
Bij de aangevallen uitspraak, voorzover hier van belang, is het namens
appellanten tegen het besluit van 19 april 2005 ingestelde beroep
ongegrond verklaard. Daartoe heeft de voorzieningenrechter van de
rechtbank overwogen dat gedaagde niet de bevoegdheid toekomt om ten
aanzien van appellanten toepassing te geven aan artikel 16, eerste lid,
van de Wwb. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter van de
rechtbank slaagt het beroep van appellanten op de artikelen 3, 6 en 26 van het IVRK niet omdat, daargelaten of aan de artikelen 3 en 6
directe werking toekomt, artikel 26 moet worden aangemerkt als de
bepaling die specifiek betrekking heeft op de hier te beoordelen
situatie en Nederland bij de ratificatie van het IVRK het voorbehoud
heeft gemaakt dat deze bepaling niet verplicht tot een zelfstandig recht
van kinderen op sociale zekerheid.
Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Zij beogen met het hoger beroep te bereiken dat gedaagde aan hen
bijstand verleent met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de Wwb,
en stellen zich op het standpunt - met een beroep op het IVRK - dat het bepaalde in artikel 16, tweede
lid, van de Wwb aan hen niet mag worden tegengeworpen.
Tevens heeft mr. Fischer namens appellanten verzocht om toepassing van
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij uitspraak van
8 augustus 2005 (LJN AU0687) heeft de voorzieningenrechter van de Raad
dit verzoek toegewezen in die zin dat wordt bepaald dat met ingang van 7
juni 2005 aan de ouders van appellanten bijstand wordt betaald ter
hoogte van het verschil tussen het normbedrag voor een alleenstaande
ouder en het normbedrag voor een alleenstaande zoals genoemd in artikel
21 van de Wwb.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad begrijpt de aanvraag om bijstand aldus, gelet op de
voorgeschiedenis ervan en de ter zitting van de Raad gegeven
toelichting, dat deze ertoe strekte dat aan de ouders van appellanten
gezinsbijstand zou worden verleend, en tevens dat, voor het geval
gezinsbijstand niet mogelijk zou zijn, (uitsluitend) aan appellanten een
recht op bijstand zou worden toegekend.
In artikel 11 van de Wwb is bepaald wie rechthebbende is op bijstand
ingevolge deze wet. Tussen partijen is niet in geschil dat de ouders van
appellanten geen vreemdelingen zijn als bedoeld in artikel 11, tweede en
derde lid, van de Wwb en zelf geen recht hebben op bijstand ingevolge de
Wwb. Appellanten zijn evenmin vreemdelingen als bedoeld in artikel 11,
tweede en derde lid, van de Wwb.
Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwb heeft
degene die jonger is dan 18 jaar geen recht op bijstand.
De artikelen 11 en 13 zijn opgenomen in hoofdstuk 2, paragraaf 2.2 van
de Wwb. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wwb kunnen burgemeester
en wethouders gelet op alle omstandigheden aan een persoon die geen
recht op bijstand heeft, in afwijking van paragraaf 2.2, bijstand
verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Artikel 16,
tweede lid, van de Wwb bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is
op andere vreemdelingen dan die bedoeld in artikel 11, tweede en derde
lid.
Tot 1 januari 2004 gold de Algemene bijstandswet (Abw), waarin de inhoud
van de zojuist weergegeven bepalingen van de Wwb op overeenkomstige
wijze is neergelegd, wat de rechthebbenden op bijstand betreft in
artikel 7, wat de minderjarigen betreft in artikel 9, eerste lid, aanhef
en onder e, en wat de afwijkingsbevoegdheid betreft in artikel 11.
Artikel 11, tweede lid, van de Abw is in die wet opgenomen krachtens de
op 1 juli 1998 in werking getreden Wet van 26 maart 1998 (Stb. 1998, 203; hierna: Koppelingswet). Vanaf die datum bestaat op
grond van het zogeheten koppelingsbeginsel niet meer de bevoegdheid om
ten aanzien van andere vreemdelingen dan die, bedoeld in
achtereenvolgens artikel 7, tweede en derde lid, van de Abw en artikel
11, tweede en derde lid, van de Wwb bijstand te verlenen wegens zeer
dringende redenen.
In zijn rechtspraak betreffende de toepassing van de Abw heeft de Raad
reeds enkele malen beslist dat het in artikel 11, eerste lid, van de Abw
voorkomende begrip zeer dringende redenen ten aanzien van minderjarige
kinderen conform het bepaalde in de artikelen 3, eerste en tweede lid,
en 27, derde lid, van het IVRK moet worden uitgelegd (zie de uitspraken
van 29 maart 2005, LJN AT3468, 14 juni 2005, LJN AT8038 en 5 juli 2005,
LJN AT9963). De Raad ziet geen aanleiding om daarover anders te oordelen
onder de werking van artikel 16, eerste lid, van de Wwb.
Artikel 11, tweede lid, van de Abw was in de tot heden gevormde
jurisprudentie niet aan de orde, omdat het daarin ging om kinderen met
de Nederlandse nationaliteit. Deze jurisprudentie geeft derhalve geen
uitsluitsel over de vraag of (thans)
artikel 16, tweede lid, van de Wwb buiten toepassing moet worden gelaten
in het geval sprake is van kinderen met een andere dan de Nederlandse
nationaliteit zoals appellanten, voor wie aan burgemeester en wethouders
is gevraagd om toepassing van artikel 16, eerste lid, van de Wwb omdat
noch zij zelf noch hun ouders in staat zijn de kosten van voeding,
kleding, en onderwijs, alsmede andere noodzakelijke kosten te betalen.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 26 juni 2001, LJN AB2276, reeds
geoordeeld dat in de koppelingswetgeving, waarbij aan vreemdelingen
slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan
Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, primair
een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is. Dat uit de toepassing
van de regeling voortvloeit dat bepaalde categorieën vreemdelingen niet
anders worden behandeld dan Nederlanders doet niet af aan het
nationaliteitsgebonden karakter van het onderscheid.
In voornoemde uitspraak en vele andere uitspraken heeft de Raad zich
voorts uitgesproken over de verenigbaarheid van dit onderscheid naar
nationaliteit met de non-discriminatievoorschriften welke zijn vervat in
onder andere artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten (Trb. 1978, 177), artikel 14 van het
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154; 1990, 156), en diverse
bilaterale en multilaterale coördinatieverdragen inzake sociale
zekerheid. De Raad heeft in het kader van deze toetsing de doelstelling
van de koppelingswetgeving zoals deze in de wetsgeschiedenis is
neergelegd steeds aanvaardbaar geacht. Deze doelstelling is: het
wegnemen van de mogelijkheid om ondanks het ontbreken van een
verblijfstitel aanspraak te maken op uitkeringen en verstrekkingen,
hetgeen immers een aanzet kan vormen tot de voortzetting van, in
beginsel, wederrechtelijk verblijf en uiteindelijk kan leiden tot een
vorm van schijnlegaliteit wat de verblijfspositie betreft; dit mede ter
ondersteuning van een consistent vreemdelingenbeleid, dat onder meer tot
doel heeft degenen die geen toelating verkrijgen het land te doen
verlaten.
Voorts heeft de Raad steeds geoordeeld dat het in de koppelingswetgeving
ter verwezenlijking van deze doelstelling gehanteerde middel, behoudens
een hier niet van belang zijnde categorie van overgangsgevallen, in het
algemeen niet op bedenkingen stuit. Dit geldt ook voor de toepassing van
het koppelingsbeginsel op vreemdelingen die toelating tot Nederland
hebben verzocht en de beslissing op dit verzoek in Nederland mogen
afwachten.
De Raad heeft hierbij in zijn voornoemde uitspraak van 26 juni 2001
tevens overwogen het binnen het kader van de Koppelingswet goed denkbaar
en onder zekere omstandigheden uit humanitaire overwegingen wellicht
geboden te achten, dat een vreemdeling in staat wordt gesteld de
beslissing op zijn verzoek om toelating in Nederland af te wachten,
zonder dat noodzakelijkerwijs aan dat rechtmatige verblijf de
rechtsposities worden gekoppeld die aan een volkomen gelegaliseerd
verblijf zijn verbonden. De alsdan ontstane frictie tussen rechtmatig
verblijf en de belemmering om bestaansmiddelen te verwerven kan in die
gevallen in de visie van de Raad worden opgelost door op die situatie
toegesneden maatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld omschreven in
artikel 8c van de Vreemdelingenwet (Vw).
Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat toetsing van de
koppelingswetgeving aan het IVRK in hun geval tot een ander oordeel zou
moeten leiden en met name dat artikel 16, tweede lid, van de Wwb ten
opzichte van hen buiten toepassing dient te worden gelaten omdat een
zodanige toepassing in strijd zou zijn met het IVRK. De in dit kader
relevante bepalingen van het IVRK luiden als volgt.
Artikel 2
1. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, eerbiedigen en waarborgen
de in het Verdrag beschreven rechten voor ieder kind onder hun
rechtsbevoegdheid zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht ras,
huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging,
nationale, etnische of maatschappelijke afkomst, welstand, handicap,
geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn of haar ouder
of wettige voogd.
2. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te
waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van
discriminatie of bestraffing op grond van de omstandigheden of de
activiteiten van, de meningen geuit door of de overtuigingen van de
ouders, wettige voogden of familieleden van het kind.
Artikel 3
1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden
genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk
welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of
wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste
overweging.
2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te
verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of
haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of
haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk
voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en
bestuurlijke maatregelen.
3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten
en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de
bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten
vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de
gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede
bevoegd toezicht.
Artikel 26
1. De Staten die partij zijn, erkennen voor ieder kind het recht de
voordelen te genieten van voorzieningen voor sociale zekerheid, met
inbegrip van sociale verzekering, en nemen de nodige maatregelen om de
algehele verwezenlijking van dit recht te bewerkstelligen in
overeenstemming met hun nationale recht.
2. De voordelen dienen, indien van toepassing, te worden verleend,
waarbij rekening wordt gehouden met de middelen en de omstandigheden van
het kind en de personen die verantwoordelijk zijn voor zijn of haar
onderhoud, alsmede iedere andere overweging die van belang is voor de
beoordeling van een verzoek daartoe dat door of namens het kind wordt
ingediend.
Bij artikel 26 is het volgende voorbehoud gemaakt:
“Het Koninkrijk der Nederlanden aanvaardt het bepaalde in artikel 26
van het verdrag, onder het voorbehoud dat deze bepaling niet verplicht
tot een zelfstandig recht van kinderen op sociale zekerheid, daarbij
inbegrepen sociale verzekering”.
Artikel 27
1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind op een
levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke,
intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.
2. De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind,
hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar
vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de
levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.
3. De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale
omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende
maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind
te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte
daaraan bestaat, in programma's voor materiële bijstand en
ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.
4. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om het
verhaal te waarborgen van uitkeringen tot onderhoud van het kind door de
ouders of andere personen die de financiële verantwoordelijkheid voor
het kind dragen, zowel binnen de Staat die partij is als vanuit het
buitenland. Met name voor gevallen waarin degene die de financiële
verantwoordelijkheid voor het kind draagt, in een andere Staat woont dan
die van het kind, bevorderen de Staten die partij zijn de toetreding tot
internationale overeenkomsten of het sluiten van dergelijke
overeenkomsten, alsmede het treffen van andere passende regelingen.
Naar het oordeel van de Raad vormt artikel 2, eerste lid, van het IVRK
een eenieder verbindende verdragsbepaling in de zin van artikel 94 van
de Grondwet. Het gaat hier om een onvoorwaardelijk en nauwkeurig
bepaalbaar subjectief recht op non-discriminatie, op één lijn te
stellen met de in artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR
neergelegde non-discriminatiebepalingen, welke bepalingen rechtstreekse
werking hebben.
Het in artikel 2, eerste lid, van het IVRK gewaarborgde recht strekt
zich, gezien de bewoordingen ervan, uit tot alle in het verdrag
beschreven materiële rechten van het kind, waaronder het recht op
sociale zekerheid, dat onder meer kan worden gerealiseerd via de ouders
dan wel via de hiervoor beschreven toepassing van de artikelen 11 en 16
van de Wwb. Anders dan de voorzieningenrechter van de rechtbank in de
aangevallen uitspraak heeft aangenomen, komt aan het bij artikel 26 van
het IVRK gemaakte voorbehoud voor de mogelijkheid van toetsing aan de
overige bepalingen van het IVRK in het onderhavige geding geen
doorslaggevende betekenis toe, nu in artikel 16, eerste lid, van de Wwb reeds de mogelijkheid is geopend van bijstandsverlening aan
minderjarigen wegens zeer dringende redenen.
Het maken van onderscheid op de in artikel 2, eerste lid, van het IVRK
aangegeven punten jegens kinderen is alleen toegestaan als hiermee een
in het kader van het IVRK geoorloofde doelstelling wordt nagestreefd en
als het betreffende onderscheid een geschikt en jegens de kinderen
evenredig te achten middel vormt om dit doel te bereiken.
Naar het oordeel van de Raad stuit de doelstelling van de
koppelingswetgeving, zoals deze hierboven is weergegeven, tegen de
achtergrond van het IVRK niet op bedenkingen.
Bij de beoordeling in hoeverre een onderscheid in een bepaalde situatie
een evenredig te achten middel vormt om een bepaald doel te bereiken,
dient bij de toetsing aan artikel 2, eerste lid, van het IVRK tevens
acht te worden geslagen op het aan het IVRK ten grondslag liggende
beginsel van bijzondere beschermwaardigheid van kinderen en op de andere
bepalingen van het IVRK, in het bijzonder artikel 2, tweede lid, en de
artikelen 3 en 27. Dit betekent dat maatregelen die ten opzichte van
volwassenen in overeenstemming worden geacht met de internationale
non-discriminatiebepalingen, in bepaalde situaties ten opzichte van
kinderen niettemin in strijd kunnen komen met artikel 2, eerste lid, van
het IVRK.
Bij de beantwoording van de vraag of het in artikel 16, tweede lid, van
de Wwb gemaakte onderscheid naar nationaliteit in algemene zin kan
worden geacht een evenredig middel te vormen om de doelstelling van de
Koppelingswetgeving te bereiken, dient naar het oordeel van de Raad
binnen de groep van niet tot Nederland toegelaten kinderen met een
andere dan de Nederlandse nationaliteit onderscheid gemaakt te worden
tussen gevallen als hier aan de orde, waarin de kinderen (en hun ouders)
rechtmatig in Nederland verblijven doch niet tot Nederland zijn
toegelaten, en gevallen waarin kinderen (en hun ouders) niet rechtmatig
in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) hier te lande
verblijven.
De Raad acht de toepassing van artikel 16, tweede lid, van de Wwb op
kinderen die - al dan niet met hun ouders - niet rechtmatig hier te
lande verblijven, ook tegen de achtergrond van het IVRK in beginsel een
evenredig middel ter verwezenlijking van de doelstelling van de
koppelingswetgeving. De Raad overweegt hiertoe dat het verstrekken van
mogelijk langdurige uitkeringen aan kinderen wier verblijf in Nederland
op geen enkele wijze als rechtmatig kan worden bestempeld, de
voortzetting van hun verblijf - en wellicht het verblijf van hun ouders
- hier te lande kan stimuleren, waardoor het Nederlandse
vreemdelingenbeleid ernstig zou worden doorkruist.
Ten aanzien van kinderen die, zoals appellanten, rechtmatig in Nederland
verblijven doch niet tot Nederland zijn toegelaten, dient anders te
worden geoordeeld. Hoewel de Nederlandse staat deze kinderen niet tot
zijn grondgebied heeft toegelaten, heeft hij welbewust aanvaard dat zij
gedurende een zekere tijd in Nederland verblijven. Aldus heeft de
Nederlandse staat ook welbewust een zekere, uit het IVRK voortvloeiende
zorgplicht ten opzichte van juist deze kinderen op zich genomen, zonder
daarbij overigens iets af te doen aan de verantwoordelijkheid van de
ouders van deze kinderen. Gedurende de periode waarin deze kinderen
rechtmatig in Nederland verblijven, leggen de met de koppelingswetgeving
nagestreefde doeleinden niet een zodanig gewicht in de schaal dat
onverkorte toepassing van artikel 16, tweede lid, van de Wwb in
overeenstemming is met artikel 2, eerste lid, van het IVRK. In dat
verband overweegt de Raad het volgende.
Bij de beantwoording van de vraag of de toepassing van artikel 16,
tweede lid, van de Wwb in het onderhavige geval jegens appellanten een
evenredig middel vormt om de doelstelling van de koppelingswetgeving te
bereiken, acht de Raad in de eerste plaats van belang dat er voor hen
geen enkel ander bestaansmiddel voorhanden is dan bijstand. Uit het
bepaalde in artikel 11, tweede lid, onder b, van de Vw 2000 (voorheen
artikel 8c, tweede lid, onder b, van de Vw) en de in deze bepaling
bedoelde regelingen, leidt de Raad af dat de noodzaak tot ondersteuning
van een consistent vreemdelingenbeleid kennelijk naar het oordeel van de
wetgever niet per definitie en in alle omstandigheden in de weg behoeft
te staan aan een voorziening voor personen die het besluit op een
aanvraag om een verblijfstitel hier te lande mogen afwachten. De Raad
moet echter vaststellen dat de wetgever, ondanks de verplichtingen die
Nederland bij de ratificatie van het IVRK op zich heeft genomen, bij de
inwerkingtreding van de Koppelingswet de tot dat moment voor alle
kinderen bestaande voorziening van noodbijstand voor kinderen zoals hier
aan de orde heeft beëindigd door middel van de invoering van artikel
11, tweede lid, van de Abw.
Waar met de koppelingswetgeving met name is beoogd - kort gezegd - de
mogelijkheid weg te nemen dat een in beginsel onrechtmatig verblijf door
uitkeringen of verstrekkingen kan worden voortgezet, acht de Raad voorts
van belang dat appellanten ten tijde van de aanvraag niet alleen niet
onrechtmatig in Nederland verbleven, maar bovendien, gelet op hun
leeftijd, hun verblijfplaats niet zelf konden bepalen of in relevante
mate konden beďnvloeden.
Bovenstaande factoren, beschouwd in hun onderlinge samenhang, leiden de
Raad tot het oordeel dat de toepassing van artikel 16, tweede lid, van
de Wwb jegens appellanten in het licht van artikel 2, eerste lid, van
het IVRK, gelezen tegen de achtergrond van het beginsel van verhoogde
beschermwaardigheid van kinderen in het algemeen en met inachtneming van
de artikelen 2, tweede lid, 3 en 27 van het IVRK in het bijzonder, geen
evenredig middel kan worden geacht om de doelstelling van de
koppelingswetgeving te verwezenlijken. In dit kader wijst de Raad erop
dat artikel 2, tweede lid, van het IVRK verbiedt dat kinderen worden
gediscrimineerd of bestraft op grond van de omstandigheden of
activiteiten van de ouders en dat artikel 3 van het IVRK tot uitdrukking
brengt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van de
kinderen de eerste overweging vormen. Weliswaar blijkt uit artikel 3,
tweede lid, en artikel 27, derde lid, van het IVRK dat de verdragsstaten
bij de behartiging van de belangen van kinderen rekening mogen houden
met de plichten en verantwoordelijkheden van - voor zover hier van
belang - de ouders, maar uit artikel 27, derde lid, van het IVRK blijkt
ook dat de overheid passende maatregelen moet nemen om ouders te helpen
het recht van kinderen op een toereikende levensstandaard te
verwezenlijken.
Het bovenstaande betekent dat artikel 16, tweede lid, van de Wwb in het
onderhavige geval wegens strijd met artikel 2, eerste lid, IVRK buiten
toepassing dient te worden gelaten.
De stelling van appellanten dat zich hier zeer dringende redenen
voordoen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Wwb is door
gedaagde niet betwist. Ook volgens gedaagde hebben appellanten niet de
middelen om in de meest elementaire levensbehoeften te voorzien. Uit het
besluit op bezwaar blijkt in dit verband dat de gemeente Zaanstad met
het oog daarop buiten het kader van de Wwb een voorziening heeft
getroffen voor de waterleverantie aan het gezin van appellanten. Tegen
de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de Raad geen
aanleiding daarover anders te oordelen. Gedaagde is derhalve bevoegd in
afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwb aan
appellanten bijstand te verlenen. De Raad ziet in de omstandigheden van
dit geval geen redenen op grond waarvan die bevoegdheid niet zou dienen
te worden aangewend voor het verlichten van de noodsituatie waarin
appellanten verkeren.
De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het voorgaande niet
onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden
vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het
beroep gegrond verklaren en het besluit van 19 april 2005 vernietigen
wegens strijd met artikel 2, eerste lid, van het IVRK, voorzover bij dat
besluit bijstand aan appellanten is geweigerd. Gedaagde zal worden
opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellanten,
met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog daarop overweegt de
Raad het volgende.
Van de zijde van appellanten is ter zitting van de Raad aangevoerd dat
voor de hoogte van het bedrag van de bijstand aansluiting zou kunnen
worden gezocht bij het bedrag dat pleegouders ontvangen ten behoeve van
hun pleegkinderen, eventueel vermeerderd met een woonkostentoeslag.
Gedaagde heeft, zo is ter zitting gebleken, hierover nog geen standpunt
bepaald.
Naar het oordeel van de Raad moet aan appellanten algemene bijstand
worden verleend. Waar het hier gaat om een individueel recht van elk van
appellanten, ligt het wat de hoogte van deze bijstand betreft voor de
hand dat aansluiting wordt gezocht bij de norm voor alleenstaanden van
18, 19 en 20 jaar als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder
a, van de Wwb. Gezinsbijstand is hier immers niet aan de orde. Verder
dient gedaagde, gelet op het in artikel 18, eerste lid, van de Wwb neergelegde afstemmingsvereiste, aan de hand van de individuele
omstandigheden van appellanten en mede gelet op artikel 27, derde lid,
van het IVRK, waarbij de Raad aantekent dat feitelijk in de huisvesting
van appellanten is voorzien, te bezien welk bedrag aan bijstand hier is
aangewezen.
Zoals hiervoor is aangegeven, is hangende het hoger beroep door de
voorzieningenrechter van de Raad een voorlopige voorziening getroffen.
Op grond van artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, eerste
zinsdeel, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met
artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet vervalt de voorlopige
voorziening zodra de Raad op het hoger beroep uitspraak heeft gedaan.
Gelet daarop en in aanmerking genomen het belang van appellanten, ziet
de Raad aanleiding om, met toepassing van het tweede zinsdeel van de
zojuist genoemde bepaling van de Awb, erin te voorzien dat de voorlopige
voorziening doorloopt tot zes weken na de datum van bekendmaking van het
nieuwe besluit op bezwaar.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,--
in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 april 2005 gegrond en
vernietigt dat besluit voorzover daarbij verlening van bijstand aan
appellanten is geweigerd;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt op het bezwaar van
appellanten, met inachtneming van deze uitspraak;
Bepaalt dat de door de voorzieningenrechter van de Raad op 8 augustus
2005 getroffen voorlopige voorziening van kracht blijft tot zes weken na
de datum van bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag
van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Zaanstad;
Bepaalt dat de gemeente Zaanstad aan appellanten het betaalde
griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) R.C. Visser.
|
|