|
Uitspraak
04/4919 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Utrecht van 30 juli 2004, reg.nr. SBR 04/597.
Gedaagde heeft geen verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 17 januari 2006. Appellant heeft
zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. van den Berg, werkzaam bij de gemeente Bunschoten. Gedaagde is
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H. Drenth, advocaat te Utrecht.
II. MOTIVERING
Gedaagde ontving van appellant een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet.
Bij besluit van 4 december 2003 heeft appellant het recht op bijstand
van gedaagde met ingang van 1 november 2003 beëindigd en over de
periode van 24 april 2003 tot en met 31 oktober 2003 ingetrokken, op de
grond dat gedaagde in de gemeente [naam gemeente] een gezamenlijke
huishouding voert met [naam partner].
Het tegen het besluit van 4 december 2003 gemaakte bezwaar heeft
appellant bij besluit van 19 februari 2004 niet-ontvankelijk verklaard.
Daarbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat ook nadat
gedaagde door appellant in de gelegenheid was gesteld het verzuim te
herstellen, namens gedaagde geen gronden van het bezwaar zijn
aangevoerd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen over
het griffierecht en de proceskosten - het namens gedaagde tegen het
besluit van 19 februari 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd en bepaald dat appellant binnen zes weken alsnog een
inhoudelijk besluit dient te nemen op het bezwaar van gedaagde.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat appellant zich ten
onrechte op het standpunt heeft gesteld dat namens gedaagde geen gronden
van het bezwaar zijn aangevoerd.
Bij het bezwaarschrift van 9 december 2003 is een brief gevoegd van
[naam partner], waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat - en waarom -
naar haar mening geen sprake is van een gezamenlijke huishouding van
haar en gedaagde in haar woning te [naam gemeente]. Dat die brief zelf
niet rechtstreeks is gericht tegen of verwijst naar het besluit van 4
december 2003, doet daaraan niet af. Bovendien wordt in het aanvullend
bezwaarschrift van 19 januari 2004 uitdrukkelijk naar voren gebracht dat
uit het besluit van 4 december 2003 niet blijkt op grond van welke
feiten en omstandigheden appellant van mening is dat vanaf 24 april 2003
sprake is van een gezamenlijke huishouding van gedaagde en [naam
partner].
Hieruit volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor
niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.
De aangevallen uitspraak dient gelet op het voorgaande te worden
bevestigd.
Aangezien appellant - in strijd met de uit de aangevallen uitspraak
voortvloeiende verplichting daartoe - geen nieuw besluit op het bezwaar
van gedaagde heeft genomen, zal de Raad tevens bepalen dat dit thans
binnen zes weken dient te geschieden.
De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant binnen zes weken na de dag van verzending van het
afschrift van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
€ 322,--, te betalen door de gemeente Bunschoten aan de griffier van
de Raad;
Bepaalt dat van de gemeente Bunschoten een griffierecht wordt geheven
van € 414,--.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. G.A.J.
van den Hurk en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van
S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31
januari 2006.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|