|
Uitspraak
04/5252 WWB en 04/5254 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad,
appellant.
en
[gedaagde 1] en [gedaagde 2], beiden wonende te [woonplaats], gedaagden,
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van
26 augustus 2004, reg.nrs. 04-561, 567, 1229 en 1230 WWB.
Namens gedaagden heeft mr. F.P.M. van Gerven, advocaat te Amsterdam, een
verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 20 december 2005, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Ph.H. Arnold, werkzaam bij de gemeente Zaanstad, en waar gedaagden
zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Gerven.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Gedaagden ontvangen sedert 1 maart 1997 een bijstandsuitkering ingevolge
de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. Naar
aanleiding van een anonieme melding dat gedaagde [gedaagde 1] (hierna:
[gedaagde 1]) werkzaamheden verricht in een winkel in de gemeente
Amsterdam, heeft de sociale dienst van de gemeente Zaanstad een
onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan gedaagden
verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn
inlichtingen ingewonnen bij de Kamer van Koophandel en zijn waarnemingen
gedaan in en nabij de winkel. Op basis van het resultaat van dat
onderzoek heeft appellant geconcludeerd dat [gedaagde 1] in de periode
van 12 december 2003 tot en met 20 februari 2004 werkzaamheden heeft
verricht in de hiervoor bedoelde winkel, die wordt geëxploiteerd door
de zwager van [gedaagde 1], en dat gedaagden daarvan geen mededeling aan
appellant hebben gedaan.
Bij besluit van 19 februari 2004 heeft appellant het recht van gedaagden
op bijstand met ingang van 1 februari 2004 ingetrokken (lees: beëindigd).
Tevens heeft appellant bij besluit van 3 maart 2004 het recht van
gedaagden op bijstand over de periode van 12 december 2003 tot 1
februari 2004 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode
gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.619,93 van hen
teruggevorderd. Bij afzonderlijke besluiten van 7 juni 2004 heeft
appellant de tegen de besluiten van 19 februari 2004 en 3 maart 2004
gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Aan zijn besluitvorming heeft
appellant ten grondslag gelegd dat als gevolg van de schending van de
inlichtingenverplichting door gedaagden hun recht op bijstand ten tijde
hier van belang niet (langer) kan worden vastgesteld.
Bij de aangevallen uitspraak, voorzover in dit geding van belang, heeft
de voorzieningenrechter van de rechtbank - met bepalingen omtrent de
proceskosten en het griffierecht - de beroepen tegen de besluiten van 7
juni 2004 gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Daartoe is
overwogen dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het
standpunt van appellant dat gedaagden de inlichtingenverplichting hebben
geschonden als gevolg waarvan hun recht op bijstand niet langer kon
worden vastgesteld.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Anders dan de voorzieningenrechter van de rechtbank, is de Raad van
oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen
voor het standpunt van appellant dat [gedaagde 1] in de in geding zijnde
periode in de winkel van zijn zwager werkzaamheden heeft verricht.
[gedaagde 1] is in die periode op zeven verschillende data door een
medewerker van de sociale dienst werkend in deze winkel aangetroffen.
Daarbij was sprake van de gangbare in een winkel voorkomende
activiteiten als het uitstallen van waren, verkopen, afrekenen en
bijvullen van schappen.
Gedaagden hebben deze bevindingen als zodanig niet bestreden, maar
stellen zich op het standpunt dat daarbij sprake is geweest van sociale
activiteiten, hulp in de familiesfeer en een enkele incidentele
waarneming van de zwager van [gedaagde 1] in verband met diens
tijdelijke afwezigheid. De Raad volgt gedaagden daarin niet. Gezien de
frequentie en de aard van de werkzaamheden, zoals hiervoor aangegeven,
moet worden gesproken van productieve arbeid, die derhalve een
economische waarde vertegenwoordigt en waartegenover normaliter een
beloning staat. De verklaring van de zwager van [gedaagde 1], met name
hierop neerkomende dat hij niet in staat is zich personeel te
veroorloven, doet aan de onderzoeksbevindingen geen afbreuk. Bovendien
wijkt deze verklaring af van de gedane waarnemingen.
Gedaagden hebben aan appellant geen mededeling gedaan van de
werkzaamheden van [gedaagde 1]. Daarmee hebben zij de ingevolge artikel
65, eerste lid, van de Abw - welk artikel de gehele in geding zijnde
periode nog van toepassing was - op hen rustende
inlichtingenverplichting geschonden. Appellanten hebben niet aannemelijk
gemaakt dat, indien zij wel aan hun inlichtingenverplichting zouden
hebben voldaan, aan hen (aanvullende) bijstand zou zijn verleend. Van de
verrichte werkzaamheden is geen administratie voorhanden. Evenmin zijn
gegevens voorhanden waaruit blijkt welke beloning [gedaagde 1] voor zijn
werkzaamheden heeft ontvangen. De Raad passeert gezien het voorgaande de
stelling van gedaagden dat [gedaagde 1] voor zijn werkzaamheden in het
geheel niet is betaald. Als gevolg van de schending van de
inlichtingenverplichting kan derhalve niet worden vastgesteld of en, zo
ja, in hoeverre appellanten verkeerden in de omstandigheden als bedoeld
in artikel 7, eerste lid, van de Abw (tot 1 januari 2004)
respectievelijk (vanaf 1 januari 2004) artikel 11, eerste lid, van de
Wet werk en bijstand (Wwb).
Gedaagde was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, van de Wwb bevoegd over te gaan tot intrekking van het recht van gedaagden op
bijstand over de periode van 12 december 2003 tot en met 31 januari 2004
en tot beëindiging van het recht op bijstand met ingang van 1 februari
2004. De Raad ziet in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting
geen grond voor het oordeel dat appellant in dit geval niet in
redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De door
gedaagden gestelde financiële problemen zijn daartoe onvoldoende.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat appellant op grond van artikel
58, eerste lid, onder a, van de Wwb bevoegd was om tot terugvordering
van de over de periode van 12 december 2003 tot 1 februari 2004
verleende bijstand over te gaan. Het standpunt van appellant dat er geen
redenen zijn om in dit geval van deze bevoegdheid geen gebruik te maken,
kan eveneens stand houden.
Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep
slaagt. De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient derhalve
te worden vernietigd.
In beroep hebben gedaagden gehandhaafd het in bezwaar tegen het besluit
van 19 februari 2004 ingenomen standpunt dat zij ten onrechte niet
voorafgaand aan het nemen van dat besluit door appellant zijn gehoord.
De Raad overweegt dienaangaande dat appellant zich terecht op het
standpunt heeft gesteld dat, aangezien hier sprake is van schending van
de inlichtingenverplichting door gedaagden, uit artikel 4:8, tweede lid,
van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat appellanten niet vooraf
hoefden te worden gehoord.
Het voorgaande brengt mee dat de Raad, doende wat de
voorzieningenrechter van de rechtbank had behoren te doen, het beroep
ongegrond zal verklaren.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter, en mr. C. van
Viegen en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 januari
2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|