|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/1577 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Landgraaf,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.H.J. Thomas, werkzaam te Landgraaf, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 3
februari 2005, reg.nr. 04/368 WWB.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 10 januari 2006, waar appellant
is verschenen, bijgestaan door mr. Thomas, en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door L.H.J.F. Schlenter, werkzaam bij de
gemeente Landgraaf.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontving jarenlang een bijstandsuitkering, laatstelijk
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Met ingang van 1 juli 2001 is deze uitkering beëindigd in verband met het bereiken van
de pensioengerechtigde leeftijd.
Naar aanleiding van een onderzoek door de Belastingdienst naar
zogenaamde samenloopgevallen bleek dat appellant vanaf zijn 60-ste jaar
naast zijn bijstandsuitkering een pensioen ontving van de koopvaardij.
Aangezien appellant van deze pensioeninkomsten bij gedaagde geen opgave
heeft gedaan, heeft gedaagde bij besluit van 29 oktober 2003 - met
inachtneming van verjaringsbepalingen - het recht op bijstand van
appellant over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2000 herzien en de gemaakte kosten van bijstand tot een
bedrag van € 6.535,49 van hem teruggevorderd.
Bij besluit van 3 februari 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 29 oktober 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 3 februari 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Daartoe heeft appellant, naar de Raad begrijpt primair, aangevoerd dat
het betaalde pensioen als vermogen moet worden aangemerkt dat, nu dit -
gekapitaliseerd - minder bedraagt dan de toepasselijke vrijlatingsgrens,
voor de toepassing van de Abw buiten beschouwing dient te blijven.
Ingeval het pensioen als inkomen wordt aangemerkt is naar de visie van
appellant sprake van inkomsten uit arbeid die ingevolge artikel 43,
eerste lid, aanhef en onder l en m, van de Abw voor een deel moeten
worden vrijgelaten. Tot slot heeft appellant betoogd dat sprake is van
dringende redenen om van terugvordering af te zien.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt voorop dat de aan appellant over de in geding zijnde
periode betaalde pensioengelden middelen zijn die periodiek zijn
ontvangen en betrekking hebben op een periode waarover een beroep op
bijstand is gedaan. Die pensioengelden zijn derhalve te beschouwen als
in aanmerking te nemen inkomsten in de zin van artikel 47, eerste lid,
aanhef en onder a en b van de Abw, waarop de bijstand - ingevolge de
artikelen 26 en 27 van de Abw - slechts behoeft aan te vullen.
Dit betekent tevens dat het totaal van deze pensioengelden, gelet op in
artikel 51, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw, niet (achteraf)
alsnog als - gekapitaliseerd - vermogen kan worden aangemerkt. Van het
buiten beschouwing laten daarvan, omdat daarmee de vermogensgrens als
bedoeld in artikel 54 van de Abw niet wordt overschreden, kan in het
kader van de herziening van het recht op bijstand van appellant dan ook
geen sprake zijn. De primaire beroepsgrond treft derhalve geen doel.
De door appellant subsidiair bepleite inkomensvrijlating ingevolge
artikel 43, tweede lid, aanhef en onder 1 (tot 1 januari 2001)
respectievelijk m (vanaf 1 januari 2001), van de Abw kan de Raad evenmin
volgen. De Raad merkt eerst op dat dit artikelonderdeel pas in werking
is getreden per 1 oktober 1997, zodat over de periode van 1 juli 1997
tot en met 30 september 1997 geen wettelijke grondslag voor vrijlating
van inkomsten van bijstandsgerechtigden aanwezig was. Voorts acht de
Raad van belang dat door appellant ten tijde van de ontvangst van de
pensioengelden terzake geen daadwerkelijke arbeid meer werd verricht,
zodat reeds daarom niet van inkomsten uit arbeid kan worden gesproken.
De Raad ziet overigens, gelet op het complementaire karakter van de Abw
geen ruimte om aan een uitzonderingsbepaling als artikel 43, tweede lid,
van de Abw een strekking toe te kennen die ruimer is dan die waartoe de
tekst van de bepaling aanleiding geeft. Daartoe is in dit geval teminder
aanleiding nu blijkens de wetsgeschiedenis van genoemd artikelonderdeel
met de landelijke vrijlating van (een deel van) de inkomsten uit arbeid
is beoogd aan bijstandsgerechtigde personen zonder arbeidsverplichting
een stimulans te geven om beperkt betaalde arbeid te gaan verrichten
(Kamerstukken II 1995-1996, 24 772, nr. 3, p. 6 en 10). Met enkel
vrijlating van pensioeninkomsten wordt dat doel niet bereikt.
Anders dan appellant heeft betoogd, doet zich derhalve de uitzondering
op het middelenbegrip van artikel 42 van de Abw in het geval van
appellant niet voor. Gedaagde heeft dan ook terecht geen toepassing
gegeven aan de vrijlatingsfaciliteit als bedoeld in artikel 43, tweede
lid, aanhef en onder l respectievelijk m van de Abw, zodat bij de
herziening van het recht op bijstand de pensioengelden terecht volledig
op de bijstandsuitkering van appellant in mindering zijn gebracht.
Door appellant is niet betwist dat hij de pensioeninkomsten van de
koopvaardij in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de
Abw op hem rustende inlichtingenverplichting niet aan gedaagde heeft
gemeld. Nu appellant als gevolg daarvan tot een te hoog bedrag aan
bijstand is verleend, was gedaagde op grond van artikel 69, derde lid,
aanhef en onder a, van de Abw gehouden over te gaan tot herziening van
het recht op bijstand over de periode 1 juli 1997 tot en met 31 december
2000. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende
redenen om van herziening van het recht op bijstand af te zien.
Het voorgaande brengt met zich mee dat tevens is voldaan aan de
voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw,
zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de ten onrechte
verleende bijstand. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad
ter zake van de terugvordering evenmin dringende redenen, zodat gedaagde
niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering van appellant
af te zien.
Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep van appellant
terecht ongegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak moet
worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van L. Jörg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2006.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) L. Jörg.
|
|