|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/2200 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Sittard-Geleen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Maastricht van 28 februari 2005, reg.nr. 04/1164 WWB.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 10 januari 2006, waar appellant
- zoals tevoren aangekondigd - niet is verschenen en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Hellenbrand, werkzaam bij de
gemeente Sittard-Geleen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij besluit van 27 april 2000 heeft gedaagde het recht op bijstand van [M.
C.] over de periode van 1 juni 1997 tot en met 21 augustus 1998 alsmede
van 8 september 1998 tot en met 30 juni 1999 ingetrokken en de over deze
perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.593,36
van haar teruggevorderd.
Bij besluit van dezelfde datum heeft gedaagde op grond van artikel 84,
tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) dit bedrag mede van
appellant teruggevorderd.
Bij besluit van 25 juli 2003 heeft gedaagde terzake van deze
terugvordering het aflossingsbedrag voor appellant ingaande 1 augustus 2003 vastgesteld op € 39,89 per maand. Dit bedrag stemt
overeen met 50% van de ruimte in het inkomen (een bijstandsuitkering van
de gemeente [woonplaats]) boven de beslagvrije voet. De andere helft van
de voor beslag vatbare ruimte werd reeds benut voor aflossing in verband
met een vordering van de gemeente Valkenburg aan de Geul op appellant
wegens achterstallige verhaalsbijdragen.
Bij besluit van 25 juni 2004 heeft gedaagde het bezwaar van appellant
tegen het besluit van 25 juli 2003, voorzover hier van belang, ongegrond
verklaard. Daarbij heeft gedaagde in aanmerking genomen dat sprake is
van een bevoorrechte vordering, welke voorrang heeft boven de schuld bij
de SNS-bank waarop tot dan toe eenzelfde bedrag werd afgelost.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 25 juni 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Vaststaat dat appellant tegen het besluit van 27 april 2000, waarbij de
gemaakte kosten van bijstand tot het bedrag van € 6.593,36 mede van hem zijn teruggevorderd, niet tijdig een
rechtsmiddel heeft aangewend, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar
is geworden.
Ingevolge artikel 87, tweede lid, in verbinding met artikel 14f, tiende
lid, van de Abw, voorzover hier van belang, geschiedt de
tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig dat de
belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de
beslagvrije voet, als bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het
Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). Tussen partijen is niet in
geschil dat de ingevolge artikel 475d, derde lid, van Rv voor appellant
ten tijde in geding geldende beslagvrije voet moet worden vastgesteld op
€ 717,97, zodat als beslagvrije ruimte resteerde € 79,78 per maand.
De vorderingen van gedaagde en van de gemeente Valkenburg aan de Geul op
appellant zijn ingevolge artikel 89 respectievelijk artikel 105 van de Abw bevoorrecht en hebben
dientengevolge voorrang boven de vordering van de SNS-bank op appellant.
De Raad laat daar wat er zij van de gemaakte afspraken tussen gedaagde
en de gemeente Valkenburg aan de Geul terzake van het gelijkelijk
verdelen van de beslagvrije ruimte voor invordering van de resterende
schuld door beiden, nu vaststaat dat door de gemeente Valkenburg aan de
Geul (ondanks het feit dat het om eerder gemaakte kosten van bijstand
zou gaan) slechts 50% van de beslagvrije ruimte voor invordering wordt
benut, zodat 50% van die ruimte voor gedaagde resteert.
Gelet op het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat gedaagde ten
tijde in geding het maandelijks door appellant op de vordering van €
6.593,36 af te lossen bedrag terecht op € 39,89 heeft vastgesteld.
In hetgeen overigens door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen
grond om tot een ander oordeel te komen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van L. Jörg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2006.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) L. Jörg.
|
|