|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/6154 WWB-E
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Zutphen van 2 november 2004, reg.nr. 04/584 WWB.
Het hoger beroep is met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in
samenhang met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij
uitspraak van 26 april 2005 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat
appellant het griffierecht niet binnen de daarvoor gegeven termijn heeft
betaald.
Het verzet van appellant tegen die uitspraak is bij uitspraak van 9
augustus 2005 gegrond verklaard. Ten gevolge hiervan is de uitspraak van
26 april 2005 komen te vervallen en het onderzoek in hoger beroep
voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Gedaagde heeft bij wijze van verweer verwezen naar de stukken die aan de
rechtbank zijn toegezonden.
Appellant heeft nog nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 februari 2006, waar appellant
in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich niet heeft laten
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij besluit van 20 januari 2004 heeft gedaagde de aanvraag van appellant
om bijzondere bijstand in de kosten van rechtsbijstand, verleend door
mr. H.C. Ingelse, destijds advocaat bij Boels Zanders advocaten te
Roermond, tot een bedrag van € 617,25 afgewezen. Aan dit besluit heeft
gedaagde ten grondslag gelegd dat de advocaatkosten niet aangemerkt
kunnen worden als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende
noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals bedoeld in artikel 35 van de
Wet werk en bijstand (Wwb). Hierbij heeft gedaagde de omstandigheden
betrokken dat er geen sprake is van toevoeging door de Raad van de
Rechtsbijstand en dat de door mr. Ingelse gemaakte kosten betrekking
hebben op de in het verleden door appellant gevoerde procedures tegen
personen en/of instanties die betrokken waren bij zijn faillissement en
de surseance van betaling.
Bij besluit van 22 april 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 20 januari 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 22 april 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Zoals de Raad reeds eerder, onder meer in zijn uitspraak van 23 november
1999, LJN AA8546, heeft overwogen, kan de noodzaak voor het verlenen van
rechtsbijstand in beginsel worden aangenomen indien op grond van de Wet
op de rechtsbijstand krachtens toevoeging rechtsbijstand is verleend. In
zijn uitspraak van 30 mei 2002, LJN ZB8818, heeft de Raad voorts
overwogen dat, in een concreet geval waarbij van toevoeging geen sprake
is, het bijstandsverlenend orgaan zich aan de hand van de zich
voordoende omstandigheden zelfstandig een oordeel dient te vormen met
betrekking tot de noodzaak van de gevoerde procedures.
Nu appellant in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten heeft
aangedragen op grond waarvan de noodzaak van de door hem zonder
toevoeging gevoerde procedures kan worden aangenomen, is de Raad met de
rechtbank van oordeel dat gedaagde zich terecht op standpunt heeft
gesteld dat de hier aan de orde zijnde advocaatkosten niet als
noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35 van de Wwb
zijn aan te merken. Voor verlening van bijzondere bijstand voor deze
kosten is dan ook geen plaats.
Het voorgaande brengt met zich mee dat het hoger beroep niet slaagt
zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
R.J. van der Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28
februari 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.J. van der Veen.
|
|