|
Uitspraak
05/379 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. J.G. Wattilete, advocaat te Amsterdam, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de
rechtbank Amsterdam van 10 december 2004, reg.nrs. 04/4760 WWB en
04/5817 WWB.
Gedaagde heeft de Raad desgevraagd nadere stukken toegezonden.
Appellant heeft ook een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 17 januari 2006, waar appellant
- met voorafgaand bericht - niet is verschenen, en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij
de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Met ingang van 2 februari 2000 is appellant woonachtig aan de [adres] te
[woonplaats]. Appellant heeft deze woonruimte gehuurd tegen een
toenmalige huurprijs van 1.700,-- ( 771,43) per maand.
Bij besluit van 10 januari 2003 heeft gedaagde aan appellant met ingang
van 25 oktober 2002 algemene bijstand in de noodzakelijke kosten van het
bestaan toegekend, berekend naar de norm voor een alleenstaande.
In verband met de hoge woonkosten van appellant heeft gedaagde bij
besluit van 11 december 2003 over de periode van 1 december 2003 tot en met 30 juni 2004 bijzondere bijstand ter
voorziening in de woonkosten (hierna: woonkostentoeslag) tot een bedrag
van 252,31 per maand toegekend. Hierbij heeft gedaagde appellant
verplicht een goedkopere woning te zoeken en zich bij tenminste ιιn
van de woningbouwcorporaties te laten inschrijven.
De aanvraag van appellant van 5 juli 2004 om hem ingaande 1 juli 2004
wederom in aanmerking te brengen voor een woonkostentoeslag heeft
gedaagde bij besluit van 13 juli 2004 afgewezen. Het tegen dat besluit
gemaakte bezwaar is door gedaagde bij besluit van 21 oktober 2004
ongegrond verklaard. Gedaagde heeft zich daarbij op het standpunt
gesteld dat appellant onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
voorziening in het bestaan heeft getoond door zich onvoldoende in te
spannen om een goedkopere woning te verkrijgen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de
rechtbank, voorzover hier van belang, het beroep tegen het besluit van
21 oktober 2004 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de
voorzieningenrechter geoordeeld dat het door gedaagde ten aanzien van de
verlening van een woonkostentoeslag gevoerde beleid binnen de grenzen
van een redelijke beleidsbepaling is gebleven en dat gedaagde op juiste
gronden de woonkostentoeslag heeft geweigerd.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen dit onderdeel van
de uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Vaststaat dat de netto huur van de woning van appellant ten tijde van de
aanvraag op 5 juli 2004 815,-- per maand bedroeg en dat appellant
niet in aanmerking kwam voor huursubsidie. In het hier van toepassing
zijnde artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (Wwb), dat
nagenoeg gelijkluidend is aan het tot 1 januari 2004 geldende artikel
39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet, is bepaald dat de
alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover
de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te
voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende
noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van
burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de
bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen
voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31,
tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de Wwb niet van toepassing
zijn.
Naar de Raad begrijpt uit de overwegingen van het besluit van 21 oktober
2004 - met name de laatste alinea daarvan - en de daarop ter zitting van
de voorzieningenrechter en de Raad van de zijde van gedaagde gegeven
toelichting, heeft gedaagde de weigering van de woonkostentoeslag
gebaseerd op zijn beleid ter zake van het verlenen van bijzondere
bijstand ter voorziening van woonkosten, zoals neergelegd in hoofdstuk
9.5 van de Werkvoorschriften Wwb van de Sociale Dienst Amsterdam. De
Raad wijst er in dit kader op dat uit de bewoordingen van artikel 35,
eerste lid, van de Wwb blijkt dat geen sprake is van een discretionaire
maar van een gebonden bevoegdheid, hetgeen betekent dat indien is
voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor de uitoefening van die
bevoegdheid, het betrokken bestuursorgaan gehouden is de bijzondere
bijstand te verlenen. Door de aanvraag om woonkostentoeslag slechts te
beoordelen in het kader van het ter zake gevoerde beleid heeft gedaagde
ten onrechte nagelaten te beoordelen of in de situatie van appellant
sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke
kosten, zoals bedoeld in artikel 35 van de Wwb.
De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft dit niet onderkend en bij
zijn beoordeling van het geschil ten onrechte het voornoemde beleid van
gedaagde als toetsingsmaatstaf gehanteerd. De Raad zal gelet hierop, met
vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende wat de rechtbank had
behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 21 oktober 2004
gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel
7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De vervolgens aan de orde zijnde vraag of met toepassing van artikel
8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het te vernietigen
besluit van 21 oktober 2004 in stand gelaten kunnen worden, beantwoordt
de Raad op grond van het hiernavolgende bevestigend.
Naar het oordeel van de Raad moeten in het geval van appellant de ten
tijde in geding voor zijn rekening komende woonlasten niet tot de uit
bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het
bestaan worden gerekend, zoals bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de
Wwb. Daarbij acht de Raad allereerst van belang dat gedaagde reeds
sedert 25 oktober 2002 verkeerde in een uiterst nijpende financiλle
situatie, waarin zijn uitgaven voor woonkosten nagenoeg gelijk waren aan
zijn inkomen uit een bijstandsuitkering. Gelet daarop mocht van
appellant een maximale inspanning verwacht worden om goedkopere
woonruimte te vinden. In dit kader ontleent de Raad aan de gedingstukken
dat appellant zich weliswaar, in overeenstemming met het besluit van 11
december 2003, heeft laten inschrijven bij een woningbouwvereniging,
maar dat hij vervolgens slechts in beperkte mate heeft gereageerd op
woningaanbiedingen via Woningnet, en dat bij pas op 17 april 2004 een
intakegesprek heeft gehad bij Dienst Wonen van de gemeente Amsterdam.
Van aantoonbare pogingen om buiten Amsterdam woonruimte te vinden
alsmede om via de private sector andere, desnoods onzelfstandige,
woonruimte te vinden, is de Raad niet gebleken. Bovendien acht de Raad
van belang dat gedaagde bij besluit van 7 juli 2004 appellant tot 30
september 2004 ontheven heeft van zijn aan de bijstand verbonden actieve
sollicitatieverplichtingen teneinde appellant de gelegenheid te geven om
alles in het werk te stellen om andere woonruimte te vinden en dat
appellant vervolgens op 8 juli 2004 heeft meegedeeld van 16 juli 2004
tot 13 augustus 2004 op vakantie te gaan naar het buitenland. Dat
gedaagde toestemming voor deze vakantie heeft gegeven doet hieraan niet
af, te minder daar gedaagde appellant gelet op zijn situatie
uitdrukkelijk had afgeraden om op vakantie te gaan. Genoemde feiten en
omstandigheden brengen de Raad tot het oordeel dat appellant onvoldoende
heeft voldaan aan de bij zijn situatie behorende
inspanningsverplichting. Ten tijde in geding konden de woonkosten van
appellant niet (meer) aangemerkt worden als uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. De Raad is dan ook
van oordeel dat gedaagde de woonkostentoeslag terecht heeft geweigerd.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op 644,-- in
beroep en 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 21 oktober 2004;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
966,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door appellant betaalde
griffierecht van in totaal 139,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van M.
Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 februari
2006.
(get.) R.M. van Male.
(get.) M. Pijper.
|
|