|
Uitspraak
04/6644 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. S. van Andel, advocaat te Amsterdam, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de
rechtbank Amsterdam van 17 november 2004, reg.nr. 04/4745 WWB.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 januari 2006, waar appellante
is verschenen, bijgestaan door mr. Van Andel, en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente
Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante, geboren in 1954, ontving vanaf 1 april 2000 bijstand
ingevolge de Algemene bijstandwet berekend naar de norm voor een
alleenstaande en verhoogd met een toeslag van 20% op de grond dat zij de
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen met een
ander. Met ingang van 1 januari 2004 geldt deze bijstand als bijstand
ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb).
In het kader van het project Klant in Beeld inzake de vaststelling van
de rechtmatigheid van verleende bijstand is op 27 augustus 2004 bij appellante een huisbezoek afgelegd door twee
ambtenaren van de sociale dienst van de gemeente Amsterdam. Bij dit
huisbezoek is op de zolderkamer van de woning van appellante [T.K. L.]
(hierna: [L.]) aangetroffen. Zowel appellante als [L.] hebben verklaard
dat [L.] woonachtig is in [plaatsnaam] en dat hij slechts één keer per
week logeerde in de woning van appellante. De bevindingen van het
huisbezoek zijn neergelegd in een rapport van 2 september 2004.
Genoemd rapport is voor gedaagde aanleiding geweest om bij besluit van
14 september 2004 het recht op bijstand van appellante met ingang van 27
augustus 2004 te beëindigen. Gedaagde heeft hiertoe overwogen dat
appellante vanaf genoemde datum een kamer verhuurt en dat zij de hiermee
verworven inkomsten niet aan gedaagde heeft gemeld. Omdat de hoogte van
die inkomsten niet kan worden vastgesteld, kan gedaagde niet bepalen of
appellante vanaf 27 augustus 2004 nog langer recht heeft op bijstand.
Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 4 november 2004 heeft gedaagde het bezwaar van
appellante gegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat de bijstand ten
onrechte is beëindigd nu volgens de werkvoorschriften bij één
onderhuurder geen inkomstenkorting wordt toegepast en het recht op
bijstand derhalve wel was vast te stellen. Gedaagde heeft wel het
standpunt gehandhaafd dat de zolderkamer van appellante werd bewoond.
Gedaagde heeft in verband hiermee besloten dat de bijstand met ingang
van 27 augustus 2004 wordt voorgezet met een toeslag van 10% onder de
overweging dat appellante met meer mensen in een huis woont. Gedaagde
heeft ten slotte met toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellante een bedrag van € 644,--
toegekend wegens kosten gemaakt in verband met de behandeling van het
bezwaar.
Naar aanleiding van de aanvraag van appellante van 21 september 2004
heeft gedaagde bij besluit op bezwaar van 9 december 2004 appellante alsnog met ingang van de datum van de
aanvraag een ongekorte bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor
een alleenstaande en deze bijstand verhoogd met de (maximale) toeslag
van 20% van het nettominimumloon.
De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij de thans aangevallen
uitspraak, voorzover hier van belang, het beroep van appellante tegen
het besluit van 4 november 2004 ongegrond verklaard. Naar het oordeel
van de voorzieningenrechter rechtvaardigen de bevindingen van het
huisbezoek voldoende de conclusie dat ten tijde in geding sprake was van
medebewoning van de woning van appellante.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd, voorzover haar beroep hierbij ongegrond is verklaard.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Wwb verhoogt het college van
burgemeester en wethouders de norm, bedoeld in artikel 21, onderdelen a
en b, met een toeslag voorzover de belanghebbende hogere algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet,
als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met
een ander. Ingevolge het tweede lid van dat artikel bedraagt de toeslag
(ten tijde hier in geding) ten hoogste € 230,36 per kalendermaand.
Genoemd bedrag komt overeen met 20% van het nettominimumloon.
Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Toeslagenverordening Wet werk en
bijstand van de gemeente Amsterdam bedraagt de toeslag voor de
belanghebbende die behoort tot de categorie alleenstaanden van 23 jaar
en ouder en in wiens woning tevens een ander zijn hoofdverblijf heeft,
10% van het nettominimumloon.
Aangezien het hier gaat om een verlaging van een eerder toegekende
toeslag, een voor appellante belastend besluit, rust op gedaagde de
bewijslast ten aanzien van de vraag of op 27 augustus 2004 is voldaan
aan de voorwaarden om tot die verlaging van de toeslag over te gaan.
Toegespitst op het onderhavige geval is het derhalve aan gedaagde om aan
te tonen dat ten tijde hier van belang [L.] zijn hoofdverblijf had in de
woning van appellante.
De Raad is van oordeel dat gedaagde daarin niet is geslaagd. De Raad
heeft hierbij het volgende van belang geacht.
Tijdens het huisbezoek op 27 augustus 2004 hebben appellante en [L.]
aangegeven dat slechts sprake was van incidenteel logeren van [L.], een
vriend van de zoon van appellante. Voorts is gesteld dat [L.] staat
ingeschreven in de gemeente [plaatsnaam] en dat hij daar ook
daadwerkelijk woont. Hij heeft het betreffende adres opgegeven. Tijdens
de bezwaarprocedure heeft [L.] zulks nogmaals uitdrukkelijk schriftelijk
verklaard. In het rapport van 2 september 2004 is voorts vermeld dat
appellante niet de administratie heeft getoond die zich in de
zolderkamer bevond. Gesteld is dat de opstellers van het rapport de
indruk hadden dat de zolderruimte een zelfstandige woonruimte is en dat
[L.] zijn hoofdverblijf in die ruimte heeft.
Gelet op de uitdrukkelijke ontkenning van zowel appellante als [L.] dat
laatstgenoemde zijn hoofdverblijf heeft in de woning van appellante
waarbij tevens is gemeld op welk adres [L.] wel zijn hoofdverblijf
heeft, lag het in de gegeven omstandigheden op de weg van gedaagde om naar het hoofdverblijf van
[L.]
nader onderzoek in te stellen en niet af te gaan op de indruk of
vermoedens van enkele ambtenaren van de sociale dienst bij een
huisbezoek. De Raad wijst er in dit verband op dat ook hetgeen overigens
bij het huisbezoek naar voren is gekomen niet zonder meer tot de
conclusie leidt dat [L.] zijn hoofdverblijf in de woning van appellante
had. Niet kan worden uitgesloten dat inderdaad slechts sprake was van
(incidenteel) logeren. Dit nader onderzoek heeft evenwel niet plaats
gevonden. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het besluit van 4
november 2004 een deugdelijke feitelijke grondslag mist.
De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad zal dan ook met
vernietiging van de aangevallen uitspraak en, doende wat de rechtbank
zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 4
november 2004, behoudens voorzover hierbij toepassing is gegeven aan
artikel 7:15 van de Awb, vernietigen wegens strijd met artikel 7:12,
eerste lid, van de Awb. Voorts ziet de Raad aanleiding om met toepassing
van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het primaire besluit van 14 september 2004 te herroepen nu dit besluit eveneens op een onhoudbare
grond is gebaseerd. Op grond van de gegevens zoals die bij het
huisbezoek aan het licht zijn gekomen staat niet vast dat als gevolg van
de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet
langer kan worden vastgesteld.
Het verzoek van appellante om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van
de schade die zij stelt te hebben geleden merkt de Raad aan als een
verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb. Gelet op het
vorenstaande acht de Raad termen aanwezig om gedaagde te veroordelen tot
vergoeding van de wettelijke rente over de ten onrechte niet verleende
toeslag van 10% van het nettominimumloon (€ 115,18). Overeenkomstig
vaste jurisprudentie van de Raad ter zake moet de eerste dag waarover
wettelijke rente verschuldigd is worden gesteld op 1 september 2004.
Hierbij geldt dat voor de berekening dient te worden uitgegaan van het
brutobedrag van de ten onrechte niet uitbetaalde toeslag en dat telkens
na afloop van een jaar het bedrag waarover wettelijke rente wordt
berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde
rente. De aldus te berekenen rente zal alsnog moeten worden voldaan, tot
aan de dag der algehele voldoening.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- wegens in
beroep verleende rechtsbijstand en eveneens op € 644,-- wegens in
hoger beroep verleende rechtsbijstand, vermeerderd met € 11,68 wegens
reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 4 november 2004 behoudens voorzover hierbij
toepassing is gegeven aan artikel 7:15 van de Awb;
Herroept het besluit van 14 september 2004;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van renteschade zoals hiervoor is
aangegeven en wijst de gemeente Amsterdam aan als de rechtspersoon die
de vergoeding dient te betalen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 1.299,68 te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier
van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het in beroep en in
hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 139,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.G.
Treffers en mr. J.M.A. van der Kolk-Severeijns als leden, in
tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 22 februari 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|