|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/5553 WWB-V en 05/5554 WWB-V
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen:
Stichting [naam Stichting 1], en Stichting [naam Stichting 2], beiden
gevestigd te [vestigingsplaats], opposanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Bij uitspraak van de Raad van 25 oktober 2005 is het door opposanten
ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam
van 15 juli 2005, reg.nr. 05/880, waarbij met toepassing van artikel
8:55 van de Awb is beslist op het verzet tegen een uitspraak als bedoeld
in artikel 8:54 van die wet, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft O. de Rooij namens opposanten een
verzetschrift ingediend. De gronden van het verzet zijn nader aangevuld
bij brief van 30 januari 2006.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting
van 14 februari 2006, waar opposanten zich hebben laten
vertegenwoordigen door De Rooij. Geopposeerde heeft zich, zoals
aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb, betreft uitsluitend de
vraag of de Raad ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is
overgegaan wegens - in dit geval - de kennelijke niet-ontvankelijkheid
van het hoger beroep.
Opposanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Amsterdam van 15 juli 2005 waarbij het verzet tegen een
uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van die wet, ongegrond is
verklaard. De uitspraak van de rechtbank van 15 juli 2005 is dan ook een
uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, onder b van de Awb
waartegen, gelet op artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c van de
Beroepswet, geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Hetgeen namens opposanten is aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel
dat sprake is geweest van evidente schending van beginselen van een
goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk
proces waarborgen, die een uitzondering op dit wettelijk appèlverbod
rechtvaardigt.
Het vorenstaande brengt met zich mee dat de Raad kennelijk onbevoegd was
van het hoger beroep kennis te nemen, zodat de Raad zich onbevoegd had
dienen te verklaren. In de omstandigheid dat de Raad bij uitspraak van
25 oktober 2005 het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard ziet
de Raad geen grond om tot gegrondverklaring van het verzet over te gaan.
Daarmee is tevens gegeven dat er voor de Raad thans geen ruimte is om
met toepassing van artikel 234 van het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap over te gaan tot het stellen van prejudiciële
vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met
toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Awb
ongegrond te verklaren.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
R.J. van der Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23
februari 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.J. van der Veen.
|
|