|
Uitspraak
05/4117 WWB
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten,
geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 4 oktober 2005 is het door opposant
ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
Zwolle-Lelystad van 1 juni 2005, reg.nr. 04/1057, niet ontvankelijk
verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting
van 14 februari 2006, waar opposant in persoon is verschenen.
Geopposeerde heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 4 oktober 2005 steunt kort samengevat
hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel
22 van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 103,-- niet
binnen de door de laatstelijk aangetekend verzonden brief van 9 augustus
2005 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de
beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat
opposant niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht
niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in
zijn eerder genoemde uitspraak is gegeven.
Van degene die gebruik maakt van een postbus als briefadres mag worden
verwacht dat hij regelmatig zelf de postbus leegt of een door hem
aangewezen persoon laat legen opdat berichten omtrent toegezonden
aangetekende stukken hem tijdig bereiken. Voorzover opposant destijds
zelf verhinderd was om een aangetekend stuk op het postkantoor in
ontvangst te nemen had hij een ander een daartoe strekkende machtiging
kunnen geven. Op grond van de gedingstukken kan niet worden aangenomen
dat opposant ten tijde hier van belang buiten staat was om dit te doen.
Nu opposant dit heeft nagelaten is het een aan hem toe te rekenen
omstandigheid dat de op 9 augustus 2005 verzonden herinneringsbrief
inzake de betaling van het griffierecht hem niet tijdig heeft bereikt
met als gevolg dat het verschuldigde griffierecht niet binnen vier weken
na dagtekening van deze brief is betaald.
Aan de op 7 september 2005 door de griffier nogmaals toegezonden brief
van 9 augustus 2005 kan de Raad niet die betekenis toekennen die
opposant daaraan toegekend wenst te zien, omdat die brief geen nieuwe
termijn voor de betaling van het griffierecht bevat.
Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met
toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Awb
ongegrond te verklaren.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
R.J. van der Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7
maart 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.J. van der Veen.
|
|