|
Uitspraak
05/29 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] wonende te [woonplaats] appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats]
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. C.A.L. Keijzers, advocaat te Tilburg, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25
november 2004, reg.nr. 04/1367 WWB.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant is nog een brief overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 januari 2006, waar appellant
is verschenen, bijgestaan door mr. Keijzers, en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door mr. O. Rietveld, werkzaam bij de gemeente
Goirle.
II. MOTIVERING
Appellant ontving ten tijde hier van belang een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een gehuwde.
Naar aanleiding van een tip dat appellant zich jarenlang heeft bezig
gehouden met het fokken en verkopen van rashonden, is een onderzoek
ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende
bijstand. In dat kader is appellant gehoord en is informatie ingewonnen
bij de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland, de [naam 1]
Club Nederland en de [naam 2] Club. De bevindingen van het onderzoek
zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 4 september 2003.
Vervolgens heeft gedaagde IMK Intermediair verzocht onderzoek te doen
naar de opbrengsten en de kosten van een hondenfokkerij als die van
appellant over de periode van 1997 tot en met 2002. De bevindingen van
dat onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksverslag van 14 oktober
2003. Gedaagde is op grond van de onderzoeksresultaten tot de conclusie
gekomen dat appellant, zonder daarvan aan gedaagde melding te hebben
gemaakt, over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 mei 2002
inkomsten heeft genoten uit zijn activiteiten als hondenfokker.
Bij besluit van 15 januari 2004 heeft gedaagde alsnog rekening gehouden
met de verzwegen inkomsten van appellant en met toepassing van artikel
69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het recht op bijstand van
appellant over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 mei 2002 herzien
(lees: van 1 juli 1997 tot en met 31 december 1997 herzien en van 1
januari 1998 tot en met 31 mei 2002 ingetrokken). Voorts heeft gedaagde
met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw de over die
periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 69.158,11
van appellant teruggevorderd.
Bij besluit van 19 mei 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit
van 15 januari 2004 ongegrond verklaard met dien verstande dat aan de
herziening en de intrekking van het recht op bijstand artikel 54, derde
lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (Wwb) en aan de
terugvordering van de kosten van bijstand artikel 58, eerste lid, aanhef
en onder a, van de Wwb ten grondslag is gelegd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 19 mei 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb kan het
college het recht op bijstand herzien of intrekken indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot
het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Wwb kan het college de kosten
van bijstand terugvorderen voorzover de bijstand ten onrechte of tot een
te hoog bedrag is verleend.
De herziening (periode 1 juli 1997 tot en met 31 december 1997)
Gemachtigde van gedaagde heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de
inkomsten van appellant over het tijdvak van 1 juli 1997 tot en met 31
december 1997 niet juist zijn vastgesteld omdat slechts rekening is
gehouden met de opbrengst uit het fokken en verkopen van pups en niet
met de door appellant in verband daarmee gemaakte kosten, zoals berekend
door IMK Intermediair. Dit brengt mee dat het besluit van 19 mei 2004
voorzover dat betrekking heeft op de herziening van het recht op
bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 1997
wegens een ondeugdelijke grondslag niet in stand kan blijven.
De intrekking (periode van 1 januari 1998 tot en met 31 mei 2002)
Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat
appellant ten tijde hier van belang bulldogs heeft gefokt en verkocht.
Partijen zijn verdeeld over de vraag of gedaagde de inkomsten uit die
activiteiten juist heeft vastgesteld. Volgens appellant heeft gedaagde
daarbij onvoldoende rekening gehouden met de door hem in verband met die
activiteiten gemaakte kosten.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde bij de bepaling van
de inkomsten van appellant mocht uitgaan van de berekening van de
opbrengsten en kosten zoals door IMK Intermediair weergegeven in het
onderzoeksverslag van 14 oktober 2003. Appellant heeft niet aan de hand
van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat die
cijfers niet deugen en met name niet dat de aan het fokken en de verkoop
van bulldogs verbonden kosten door gedaagde te laag zijn ingeschat.
Appellant heeft gesteld dat hij van zijn activiteiten als hondenfokker
en de daarmee verbonden opbrengsten en kosten geen administratie heeft
bijgehouden. De gevolgen hiervan dienen in het kader van de onderhavige
wetstoepassing voor rekening en risico van appellant te komen. Gelet op
de hoogte van deze inkomsten had appellant ten tijde hier van belang
geen recht op bijstand.
Door van deze activiteiten als hondenfokker en de daarmee verworven
inkomsten aan gedaagde geen opgave te doen, heeft appellant de ingevolge
artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende
inlichtingenverplichting geschonden. Dat appellant zijn activiteiten als
een hobby beschouwde doet daar niet aan af. Als gevolg van de schending
van de inlichtingenverplichting is aan appellant over de periode van 1
januari 1998 tot en met 31 mei 2002 ten onrechte bijstand verleend.
Gelet op het voorgaande was appellant bevoegd om op grond van artikel
54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb het recht op bijstand van 1
januari 1998 tot en met 31 mei 2002 in te trekken. De Raad is niet gebleken dat appellant bij de
afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid
niet tot intrekking van het recht op bijstand van appellant heeft kunnen
besluiten.
De terugvordering
Nu de herziening van het recht op bijstand over de periode van 1 juli
1997 tot en met 31 december 1997 niet in stand kan blijven, is daarmee tevens de
grondslag komen te ontvallen aan het besluit van 19 mei 2004 voorzover
dat op de terugvordering van de kosten van bijstand ziet, zodat dit
besluit ook in zoverre niet in stand kan blijven. Een
terugvorderingsbesluit moet immers als één geheel worden beschouwd nu
dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde
bijstand. Het voorgaande klemt te meer, nu een terugvorderingsbesluit een
executoriale titel oplevert.
Slotoverweging
Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging
in aanmerking. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het besluit
van 19 mei 2004 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht vernietigen voorzover het de herziening van
het recht op bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met
31 december 1997 en de terugvordering betreft. Gedaagde zal worden
opgedragen in zoverre een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van
appellant, met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog daarop
overweegt de Raad dat gedaagde bevoegd is tot terugvordering van de over
de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 1997 - na
herberekening - teveel verleende en de over de resterende periode ten
onrechte verleende bijstand van appellant, en dat de Raad in de
gedingstukken geen grond ziet voor het oordeel dat gedaagde in dit geval
niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik zou
mogen maken.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant. Deze kosten worden bepaald op € 644,--
voor verleende rechtsbijstand en € 11,10 voor reiskosten in beroep en op € 644,-- voor verleende
rechtsbijstand en € 23,60 voor reiskosten in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 19 mei 2004 voorzover dat ziet op de
herziening van het recht op bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot
en met 31 december 1997 en op de terugvordering van de kosten van
bijstand;
Bepaalt dat gedaagde in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 1.322,70, te betalen door de gemeente Goirle aan de griffier van de
Raad;
Bepaalt dat de gemeente Goirle aan appellant het in beroep en in hoger
beroep betaalde griffierecht van in totaal € 139,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C.
Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2006.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) R.C. Visser.
|
|