|
Uitspraak
05/162 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. W. Searle, advocaat te Hoorn, hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 december
2004, reg.nr. NABW 04/1180.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 05/183 WWB, ten name
van [betrokkene], behandeld ter zitting van 7 februari 2006, waar
appellante, zoals tevoren bericht, niet is verschenen en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door M.R. Ooievaar, werkzaam bij de
gemeente Hoorn. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de
gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk
uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellante ontving, na de verlaging van het haar toekomende bedrag aan
alimentatie, sedert 1 mei 2003 een aanvullende uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Voorts heeft appellante in de jaren 1999, 2001, 2002 en 2003
verschillende malen bijzondere bijstand voor diverse kosten ontvangen.
Naar aanleiding van een ingekomen melding dat appellante vermoedelijk
samenwoonde met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) heeft de sociale
recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan
appellante verleende bijstand. In dat verband hebben appellante en
[betrokkene] verklaringen afgelegd welke zijn vervat in op ambtseed
opgemaakte processen-verbaal. Voorts hebben observaties plaatsgevonden,
is een onderzoek ingesteld in de woning van appellante en zijn
buurtbewoners als getuigen gehoord. De bevindingen en conclusie van het
onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 februari 2004.
Op grond van dit rapport is gedaagde tot de conclusie gekomen dat
appellante en [betrokkene] sedert 1 juli 1999 met elkaar een
gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de woning van appellante,
[adres]. Gedaagde heeft de uitkering van appellante per 1 januari 2004
beλindigd.
Bij besluit van 16 maart 2004 heeft gedaagde met toepassing van artikel
54, derde lid, van Wet werk en bijstand (Wwb) het recht op bijstand van
appellante over de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 december 2003
ingetrokken en met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de Wwb de
gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van
11.362,42 van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 28 april 2004, voorzover van belang, heeft gedaagde het
bezwaar tegen het besluit van 16 maart 2004 ongegrond verklaard, met
dien verstande dat het van appellante teruggevorderde bedrag is verlaagd
tot 6.588,28.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante tegen het besluit van 28 april 2004, voorzover van belang,
ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is van een gezamenlijke
huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel
van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
De Raad kan zich geheel verenigen met het in de aangevallen uitspraak
vervatte oordeel van de rechtbank dat aan beide voornoemde criteria is
voldaan. Evenals de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat
appellante van 1 juli 1999 tot en met 31 december 2003 met [betrokkene]
een gezamenlijke huishouding als vorenbedoeld heeft gevoerd. Ook de Raad
heeft in dit verband doorslaggevende betekenis toegekend aan de door
appellante en [betrokkene] tegenover de sociale recherche afgelegde en
door hen ondertekende verklaringen. Weliswaar hebben zij de juistheid
van die verklaringen naderhand betwist en die verklaringen ingetrokken,
maar de Raad ziet hierin geen aanleiding om af te wijken van zijn vaste
rechtspraak dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een
sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden
uitgegaan en dat aan het later herroepen of wijzigen ervan geen
doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Appellante en
[betrokkene] hebben de verklaringen op 15 januari 2004 ieder
afzonderlijk afgelegd en deze verklaringen na voorlezing daarvan op
iedere bladzijde ondertekend. Voorts acht de Raad van betekenis dat de
door appellante en [betrokkene] afgelegde verklaringen niet alleen in
grote lijnen met elkaar in overeenstemming zijn, maar ook sporen met de
andere bevindingen van het opsporingsonderzoek, zoals de resultaten van
het onderzoek in de woning van appellante, de buurtonderzoeken en de
observaties.
Uit het vorenstaande volgt dat appellante, in strijd met de ingevolge
artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende
inlichtingenverplichting, aan gedaagde niet heeft meegedeeld dat zij
vanaf 1 juli 1999 tot en met 31 december 2003 een gezamenlijke
huishouding met [betrokkene] heeft gevoerd. Als gevolg daarvan is haar
in die periode ten onrechte bijstand verleend naar de norm voor een
alleenstaande ouder. Appellante was immers geen zelfstandig subject van
bijstand.
In het voorgaande ligt besloten dat gedaagde bevoegd is met toepassing
van artikel 54, derde lid, van de Wwb over te gaan tot intrekking van
het recht op bijstand over genoemde periode. Naar het oordeel van de
Raad heeft gedaagde bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken
belangen in redelijkheid kunnen besluiten tot intrekking van het recht
op bijstand over deze periode.
Met het voorgaande is ook gegeven dat in de periode van 1 juli 1999 tot
en met 31 december 2003 ten onrechte bijstand is verleend aan
appellante. Gedaagde is bevoegd met toepassing van artikel 58, eerste
lid, aanhef en onder a, van de Wwb tot terugvordering over te gaan.
Gedaagde heeft van die bevoegdheid gebruik gemaakt door het bedrag van
de terugvordering, in verband met de persoonlijke omstandigheden van
appellante, te beperken tot 6.588,28. De Raad is niet gebleken dat
gedaagde bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in
redelijkheid niet heeft kunnen besluiten het van appellante terug te
vorderen bedrag nog verder te verlagen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H.
Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21
maart 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|