|
Uitspraak
05/183 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. W. Searle, advocaat te Hoorn, hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 december
2004, reg.nr. NABW 04/1178.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 05/162 WWB, ten name
van [betrokkene] (hierna: [betrokkene]), behandeld ter zitting van 7
februari 2006, waar appellant, zoals tevoren bericht, niet is verschenen
en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door M.R. Ooievaar,
werkzaam bij de gemeente Hoorn. Na de sluiting van het onderzoek ter
zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden
afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 16 maart 2004 heeft gedaagde met toepassing van artikel
59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (Wwb) de gemaakte kosten van
de over de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 december 2003 aan
[betrokkene] verstrekte bijstand tot een bedrag van € 9.588,28 van
appellant teruggevorderd.
Bij besluit van 28 april 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 16 maart 2004 ongegrond verklaard, met dien verstande dat
het van appellant teruggevorderde bedrag is verlaagd tot € 6.588,28.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 28 april 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad is in zijn uitspraak van heden, reg.nr. 05/162 WWB, gewezen
tussen [betrokkene] en gedaagde inzake de intrekking van het recht op
algemene en bijzondere bijstand en de terugvordering van gemaakte kosten
van bijstand van [betrokkene], onder meer tot het oordeel gekomen dat
[betrokkene] met appellant vanaf 1 juli 1999 tot en met 31 december 2003
een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3,
derde lid, van de Algemene bijstandswet, dat [betrokkene] hiervan geen
mededeling heeft gedaan aan gedaagde en dat [betrokkene] derhalve de
inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen.
Ingevolge artikel 59, tweede lid, van de Wwb kunnen, indien de bijstand
als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks
achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de
inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten
onrechte gemaakte kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de
persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had
moeten worden gehouden.
Onder verwijzing naar hetgeen de Raad heeft overwogen in vorengenoemde
uitspraak van heden heeft gedaagde appellant terecht aangemerkt als de
persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan
[betrokkene] rekening had moeten worden gehouden.
Hiermee is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de
voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de Wwb. Gedaagde was
derhalve bevoegd de kosten van de ten onrechte aan [betrokkene]
verleende bijstand in de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 december
2003 mede van appellant terug te vorderen. Gedaagde heeft van die
bevoegdheid gebruik gemaakt door het bedrag van de terugvordering, in
verband met de persoonlijke omstandigheden van [betrokkene], te beperken
tot € 6.588,28. De Raad is niet gebleken dat gedaagde bij afweging van
de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid niet heeft
kunnen besluiten het van appellant terug te vorderen bedrag nog verder
te verlagen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H.
Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21
maart 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|