|
Uitspraak
05/4213 WWB en 05/4704 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Arnhem van 6 juni 2005, reg.nr. AWB 05/337.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 februari 2006, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. A.M.J. Borgart, mr. M.M.A.
Rijnders en mr. H.J. Hoogland, allen werkzaam bij de gemeente Wageningen,
en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Gedaagde ontving met ingang van 27 februari 2004 van appellant een
uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb).
Bij besluit van 26 augustus 2004 heeft appellant de betaaldata van de
bijstand van gedaagde over de uitkeringsperiode van augustus 2004 tot en
met juli 2005 nader vastgesteld. Daarbij is aangegeven dat de
betaaldatum van de bijstand met ingang van 15 augustus 2005 zal worden
vastgesteld op de 15e van de maand volgend op de maand waarop de
uitkering betrekking heeft. Appellant heeft daarbij aangegeven dat deze
wijziging het mogelijk maakt bij de uitbetaling van de uitkering reeds
rekening te houden met de in de maand waarop de uitkering betrekking
heeft genoten inkomsten. Voorts is aangegeven dat de datum waarop de
uitkering wordt uitbetaald in de periode van een jaar geleidelijk zal
worden verschoven naar de 15e van de maand, volgend op de maand waarop
de uitkering betrekking heeft. Dit om betalingsproblemen te voorkomen.
De maandelijkse betaaldata over de uitkeringsperiode van augustus 2004
tot en met juli 2005 zijn daarbij achtereenvolgens vastgesteld op: 1
september 2004, 4 oktober 2004, 5 november 2004, 6 december 2004, 7
januari 2005, 8 februari 2005, 9 maart 2005, 11 april 2005, 12 mei 2005,
13 juni 2005, 14 juli 2005 en 15 augustus 2005.
Bij besluit van 7 januari 2005 heeft appellant het bezwaar van gedaagde
tegen het besluit van 26 augustus 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 7
januari 2005 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd wegens strijd met
het bepaalde in artikel 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met
inachtneming van de uitspraak.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
Bij besluit van 28 juni 2005 heeft appellant ter uitvoering van de
aangevallen uitspraak opnieuw beslist op het bezwaar van gedaagde tegen
het besluit van 26 augustus 2004. Appellant heeft dit bezwaar gegrond
verklaard en ter overbrugging van de verschuiving van de betaaldata aan
gedaagde bijzondere bijstand toegekend.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak onder meer het volgende
overwogen, waarbij voor verweerder appellant moet worden gelezen:
“In artikel 45, eerste lid, eerste volzin, van de Wwb is bepaald dat
de algemene bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld en betaald.
Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 45 van de Wwb is de bepaling in
de Algemene bijstandswet (Abw) dat de betaling achteraf plaatsvindt,
vervallen. Hiermee wordt beoogd burgemeester en wethouders de
mogelijkheid te bieden om te bepalen of de betaling van de algemene
bijstand plaatsvindt in de maand waarop die betrekking heeft, dan wel of
de algemene bijstand wordt betaald na afloop van de maand waarop deze
betrekking heeft, aldus de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II,
2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 69).
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het door
verweerder voorgestane systeem uiteindelijk resulterend in betaling op
de 15e van de volgende maand in beginsel met artikel 45, eerste lid,
eerste volzin, van de Wwb in overeenstemming is.
In de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 februari
2003, USZ 2003/130 en 16 november 2004, JWWB 2005,17, heeft de Raad
overwogen, dat aangezien de bijstandsuitkering een uitkering op
minimumniveau is, het bijstandsverlenend orgaan de verschuiving van de
betaaldatum van die uitkering zo dient te laten verlopen, dat daarbij
voldoende rekening wordt gehouden met de belangen van
uitkeringsgerechtigden en met de gevolgen die deze verschuiving voor hen
meebrengt. Daarbij dient zoveel als mogelijk is te worden voorkomen dat
de regelmaat in de uitbetaling wordt verstoord.”
De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat door de geleidelijke
verschuiving van de betaaldata met één of twee dagen over de periode
van één jaar het gebruikelijke betalingsritme wordt doorbroken
waardoor een leemte in de uitbetaling van de algemene bijstand ontstaat.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant door in deze leemte
niet te voorzien onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen die de
verschuiving van de betaaldata voor gedaagde heeft.
De Raad kan zich met het door de rechtbank aangelegde toetsingskader
verenigen maar komt op basis daarvan tot een andere uitkomst.
De Raad is allereerst van oordeel dat met het door appellant gehanteerde
systeem van gefaseerde verschuiving van de betaaldata van een leemte in
de uitbetaling van de algemene bijstand nauwelijks sprake is. Ook bij de
jaarlijkse vaststelling van betaaldata kan het voorkomen dat - door
feestdagen, weekeinden of een schrikkeljaar - de periode tussen twee
uitkeringen enigszins verschilt.
De Raad kan voorts de rechtbank niet volgen in het oordeel dat appellant
in het geheel niet heeft voorzien in de gevolgen die de verschuiving van
de betaaldata voor gedaagde heeft. Appellant heeft aangegeven dat bij de
invoering van de nieuwe betalingssystematiek - ter voorkoming van
problemen - niet alleen de uitkeringsgerechtigden maar ook derden, zoals
de woningstichting, gerechtsdeurwaarders, nutsbedrijven,
ziektekostenverzekeraars, schuldhulpverleners en de Belastingdienst
vooraf uitgebreid zijn geïnformeerd. Daarbij heeft appellant deze
instanties verzocht zonodig medewerking te verlenen om een en ander
soepel te laten verlopen en voorzover appellant dit heeft kunnen
overzien is aan dit verzoek gehoor gegeven. Tevens heeft appellant bij
de aanvang van de gefaseerde invoering van de nieuwe betaaldatum alle
bijstandsconsulenten geïnstrueerd om indien in een individueel geval
onverhoopt toch een probleem ontstaat daarvoor een oplossing te zoeken.
De Raad merkt hierbij op dat niet is gebleken dat zich bij gedaagde ten
gevolge van de wijziging van de betaaldata betalingsproblemen hebben
voorgedaan.
Het is de Raad - in aanmerking nemende alle bij het besluit betrokken
belangen en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - dan ook niet
gebleken dat appellant niet in redelijkheid tot het besluit tot de
gefaseerde invoering en vaststelling van de nieuwe betaaldatum heeft
kunnen komen. Hieruit volgt dat de Raad, met vernietiging van de
aangevallen uitspraak, het beroep van gedaagde tegen het besluit van 7
januari 2005 ongegrond verklaart. Uit het voorgaande volgt tevens dat
aan het door de Raad op de voet van het bepaalde in de artikelen 6:18,
6:19, eerste lid en 6:24 van de Awb in de beoordeling betrokken besluit
van 28 juni 2005 de grondslag is komen te ontvallen. Dit besluit dient
derhalve te worden vernietigd.
Gelet op het voorgaande kan van de door gedaagde verzochte veroordeling
van appellant tot schadevergoeding geen sprake zijn.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep van gedaagde tegen het besluit van 7 januari 2005
ongegrond;
Vernietigt het besluit van 28 juni 2005;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H.
Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21
maart 2006
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|