|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/6044 WWB en 04/6051 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het dagelijkse bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Noardwest Fryslân, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 29 oktober 2004,
reg.nr. 04/1098 WWB en 04/1118 WWB.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 februari 2006, waar appellant
in persoon is verschenen mede namens appellante en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door F.B. Visser, werkzaam bij de Dienst
Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellanten hebben op 1 maart 2004 een aanvraag ingediend om uitkering
ingevolge de Wet werk en bijstand. In het kader van de afhandeling van
deze aanvraag heeft gedaagde appellanten bij brieven van 23 maart 2004
en 8 april 2004 verzocht vóór 5 april 2004 respectievelijk 26 april
2004 aanvullende gegevens te verstrekken omtrent de financiële situatie
van appellant, waaronder gegevens met betrekking tot het vermogen van
appellant ten tijde van zijn echtscheiding in 1999, het verloop van zijn
vermogen nadien, de eigendom van onroerend goed in het buitenland en de
waarde van zijn aandelen. Bij brief van 8 april 2004 is er tevens op
gewezen dat de aanvraag niet zal worden behandeld indien de gegevens
niet of niet volledig worden verstrekt. Appellant heeft bij brief van 11 april 2004 gedaagde meegedeeld dat hij de gevraagde stukken niet kan
verstrekken.
Bij besluit van 17 mei 2004 heeft gedaagde met toepassing van artikel
4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten de
aanvraag niet in behandeling te nemen wegens het niet verstrekken van de
gevraagde gegevens.
Bij besluit van 15 september 2004 heeft gedaagde het tegen het besluit
van 17 mei 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de
rechtbank onder meer het beroep tegen het besluit van 15 september 2004
ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 15 september
2004 ongegrond is verklaard.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan
besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens
en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of
voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de
gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde
termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de
totstandkoming van deze bepaling is onder meer van een onvolledige of
ongenoegzame aanvraag sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden
zijn verstrekt die een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk maken.
Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om
gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de
aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat gedaagde terecht om de
hiervoor genoemde gegevens heeft verzocht, nu die gegevens onmiskenbaar
van belang zijn om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. In dit
verband heeft gedaagde zich - naar aanleiding van de daarover door
appellanten in hoger beroep betrokken stelling - terecht op het
standpunt gesteld dat hij wat de vermogenspositie van appellant in
Omnytec BV betreft diende te beschikken over actuele gegevens en dat
niet kon worden volstaan met overlegging van de jaarstukken 2001 van
deze vennootschap. Vaststaat dat appellanten de gevraagde gegevens niet
binnen de geboden hersteltermijn hebben overgelegd. De Raad
onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant zich
onvoldoende heeft ingespannen om de benodigde gegevens en bescheiden,
waarover hij redelijkerwijs had kunnen beschikken, aan gedaagde te
verstrekken. Daarbij verenigt de Raad zich met de overwegingen van de
aangevallen uitspraak, die tot dat oordeel hebben geleid. Hetgeen in
hoger beroep is aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel.
Gedaagde was derhalve bevoegd om met toepassing van artikel 4:5, eerste
lid, van de Awb de aanvraag van appellanten buiten behandeling te laten.
Niet kan worden gezegd dat gedaagde onder de gegeven omstandigheden niet
in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden
bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. C. van Viegen, in tegenwoordigheid van mr. A.H.
Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28
maart 2006.
(get.) C. van Viegen.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|