|
Uitspraak
05/5724 WWB
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard,
geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 17 januari 2006 is het door opposant
ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Hertogenbosch van 8 september 2005, reg.nr. 05/338 NABW, niet
ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting
van 21 maart 2006, waar partijen - zoals tevoren bericht - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 17 januari 2006 steunt kort samengevat
hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel
22 van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 103,-- niet
binnen de door de laatstelijk aangetekend verzonden brief van 4 oktober
2005 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de
beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat
opposant niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht
niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in
zijn eerder genoemde uitspraak is gegeven.
In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen, merkt de Raad
op dat hij ook in het verzetschrift geen aanknopingspunten heeft
gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat opposant het verzuim
niet kan worden tegengeworpen.
Daarbij tekent de Raad aan dat niet is gebleken dat opposant van de
mogelijkheid tot het aanvragen van bijzondere bijstand voor de kosten
van het griffierecht van het onderhavige hoger beroep gebruik heeft
gemaakt.
Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met
toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Awb
ongegrond te verklaren.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 maart
2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.
|
|