|
Uitspraak
05/2647 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. U.J. van der Veldt, advocaat te Amsterdam,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
7 april 2005, reg.nr. 04/2947 NABW.
Gedaagde heeft nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 maart 2006, waar voor
appellante mr. Van der Veldt is verschenen, en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door M.M. Jong-A-Kiem, werkzaam bij de gemeente
Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante ontving sedert 1 januari 2000 een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Deze uitkering is gewijzigd in een bijstandsuitkering naar de norm voor
een echtpaar met ingang van 23 december 2002, de datum met ingang
waarvan aan haar echtgenoot, [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot]) een
vergunning tot verblijf is verleend.
In het op deze wijziging betrekking hebbende besluit van 18 februari
2003 is tevens bepaald dat de verplichtingen gericht op inschakeling in
de arbeid voor appellante niet en voor [echtgenoot] wel gelden.
Appellante heeft op 20 oktober 2003 bij gedaagde een aanvraag om
bijzondere bijstand ingediend in de vorm van een uitkering ineens op
grond van artikel 39, tweede lid, van de Abw en de door gedaagde
vastgestelde Beleidsregel langdurigheidstoeslag 2003 (verder:
Beleidsregel).
Bij besluit van 29 december 2003 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 22 juni 2004 heeft gedaagde het tegen het besluit van 29
december 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat niet
is gebleken dat [echtgenoot] op de peildatum 31 december 2002 in een
situatie verkeerde dat een concreet arbeidsmarktperspectief voor hem
ontbrak.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 22 juni 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd. Zij is van mening dat geen sprake was van een concreet
arbeidsmarktperspectief voor [echtgenoot], omdat hij op de peildatum de
Nederlandse taal nog niet beheerste.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt eerst vast dat met de Beleidsregel invulling is gegeven
aan de bevoegdheid tot zogeheten categoriale bijstandsverlening op grond
van artikel 39, tweede lid, van de Abw. Ingevolge artikel 2, eerste lid,
van de Beleidsregel dienen samenwonende partners op 31 december 2002 (de
zogeheten peildatum) beiden onder meer te voldoen aan het vereiste dat
zij geen concreet arbeidsmarktperspectief hebben. Artikel 2, tweede lid,
van de Beleidsregel bepaalt - voorzover hier van belang - dat een
concreet arbeidsmarktperpectief verondersteld wordt te ontbreken ten
aanzien van degene die op 31 december 2002 uitkeringsgerechtigde was en
tevens:
a. ouder was dan 57,5 jaar of
b. arbeidsgehandicapte was of
c. als alleenstaande ouder de zorg had voor een kind, jonger dan 5 jaar
of
d. om redenen van medische of sociale aard een ontheffing had van
arbeidsverplichtingen of
e. belanghebbende was bij een trajectplan, gericht op sociale activering
of zorg of
f. noodzakelijke scholing volgde in combinatie met een administratieve
indeling in de fasen 2, 3 of 4, als bedoeld in het Besluit Structuur
Uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat in dit geval
niet kan worden aangenomen dat [echtgenoot] op 31 december 2002 voldeed
aan het vereiste van het ontbreken van een concreet
arbeidsmarktperspectief. [echtgenoot] verkeerde als
uitkeringsgerechtigde op die datum niet in een van de in artikel 2,
tweede lid, onderdelen a tot en met f, van de Beleidsregel vermelde
omstandigheden waarin er op grond van dat artikelonderdeel van kan
worden uitgegaan dat een concreet arbeidsmarktperspectief ontbreekt. Ook
overigens ziet de Raad in de beschikbare gegevens onvoldoende
aanknopingspunten om te oordelen dat hij op de peildatum wel aan
voormeld vereiste voldeed. De omstandigheden dat hij toen de Nederlandse
taal nog niet beheerste en nog geen inburgeringscursus had gevolgd is
daartoe niet voldoende, omdat die omstandigheden niet in de weg staan
aan het aanvaarden van arbeid, waarvoor kennis van het Nederlands niet
vereist is.
Gelet op het vorenstaande stelt de Raad vast dat gedaagde overeenkomstig
de Beleidsregel heeft gehandeld door de afwijzing van de aanvraag van
appellante te handhaven. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan
gedaagde gehouden zou zijn om desondanks ten aanzien van appellante en
[echtgenoot] af te wijken van het bepaalde in de Beleidsregel is naar
het oordeel van de Raad niet gebleken.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. A.B.J.
van der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van
S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart
2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|