|
Uitspraak
05/521 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Moordrecht,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. A. Jhingoer, advocaat te Hendrik Ido Ambacht,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
s-Gravenhage van 20 december 2004, reg.nr.04/938 WWB.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 maart 2006, waar voor
appellant mr. M.A.J. Beers (kantoorgenoot van mr. Jhingoer) is
verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door M.
van Haaren, werkzaam bij de gemeente Moordrecht.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant heeft zich op 2 december 2002 gemeld bij het plaatselijke
Centrum voor werk en inkomen (CWI). Daarbij is een formulier Verzoek
Voorschot in tweevoud opgemaakt en door appellant en de adviseur CWI
ondertekend. Op dit formulier is onder meer het volgende aangegeven:
Onderstaand persoon heeft zich gemeld bij het CWI. Er is een afspraak
gemaakt voor een uitkeringsintake Abw/Iaow. (...) Betrokkene zal zich
binnen drie werkdagen na ondertekening van dit formulier melden bij de
afdeling sociale zaken van zijn woonplaats (...).
Appellant heeft zich vervolgens op 16 december 2002 gemeld bij het
Bureau Inkomen, zorg en werk van de gemeente Moordrecht.
Op 7 maart 2003 heeft appellant zich opnieuw gemeld bij het CWI. Daar is
aan appellant een formulier Aanvraag en inlichtingen Abw uitgereikt en
is met hem een afspraak gemaakt voor 10 maart 2003.
Op 17 maart 2003 heeft het CWI de aanvraag overgedragen aan het Bureau
Inkomen, zorg en werk van de gemeente Moordrecht. Daarbij is aangegeven
dat appellant verzoekt de uitkering in te laten gaan op 2 december 2002.
Tevens is vermeld dat de collega die aan appellant het
voorschotformulier heeft meegegeven niet van appellant had begrepen dat
hij een bijstandsuitkering wilde aanvragen.
Bij besluit van 14 mei 2003 heeft gedaagde aan appellant met ingang van
6 maart 2003 een bijstandsuitkering toegekend. Tegen dat besluit heeft
appellant bezwaar gemaakt. Hij heeft aangevoerd reeds in december 2002
een bijstandsuitkering bij het CWI te hebben aangevraagd en aangegeven
dat het hem niet kan worden verweten dat het CWI dit niet juist heeft
doorgeleid naar gedaagde.
Bij besluit van 21 januari 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 14 mei 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 21 januari 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil de vraag of appellant - in het
licht van het bepaalde in artikel 68a van de Abw - zich op 2 december
2002 of eerst op 7 maart 2003 bij het CWI heeft gemeld om bijstand aan
te vragen.
De Raad ziet - anders dan gedaagde - geen aanleiding om niet van 2
december 2002 uit te gaan. De registratie op en de tekst van het
voorschotformulier bevestigen de stelling van appellant dat hij zich op
2 december 2002 bij het CWI heeft gemeld om zowel een bijstandsuitkering
als een voorschot daarop aan te vragen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 2.3, derde lid, van het Besluit SUWI
(KB van 20 december 2001, Stb. 2001,688) wordt bij de melding, bedoeld
in artikel 68a, tweede lid, van de Abw door het CWI met de
belanghebbende een afspraak gemaakt voor een gesprek waarin de aanvraag
in ontvangst wordt genomen. Door het CWI wordt bevorderd dat het gesprek
op een zo kort mogelijke termijn na de melding plaatsheeft. Uit de
toelichting op artikel 2.3 van het Besluit SUWI blijkt voorts dat de
daar bedoelde afspraak wordt gemaakt om elke onduidelijkheid over het
moment waarop de bijstandsuitkering wordt aangevraagd weg te nemen.
De Raad kan tot geen andere conclusie komen dan dat de betrokken
medewerker van het CWI op 2 december 2002 heeft verzuimd een dergelijke
afspraak met appellant te maken. Het feit dat degene die het
voorschotformulier aan appellant heeft uitgereikt niet van appellant
heeft begrepen dat hij tevens een bijstandsuitkering wilde aanvragen
blijft, wat daarvan zij, naar het oordeel van de Raad - gelet ook op het
bepaalde in artikel 74, tweede lid, van de Abw, in relatie met artikel
68 van de Abw, waaruit volgt dat voor bij wijze van voorschot verleende
bijstand slechts plaats is na een aanvraag om bijstand - voor rekening
van het CWI en van gedaagde. De Raad merkt hierbij overigens nog op dat
in het ambtelijke advies van het Bureau Inkomen, zorg en werk van
gedaagde van 17 november 2003 aan de commissie voor de behandeling van
bezwaar- en beroepschriften eveneens ervan wordt uitgegaan dat het CWI
op 2 december 2002 heeft verzuimd een afspraak voor een uitkeringsintake
met appellant te maken.
Onder deze omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding voor de conclusie
dat appellant, na de melding op 2 december 2002, de aanvraag verwijtbaar
te laat heeft ingediend. Het enkele feit dat appellant zich niet binnen
drie dagen na ondertekening van het voorschotformulier - maar eerst op
16 december 2002 - voor de beoordeling van het recht op voorschot bij
het Bureau Inkomen, zorg en werk heeft gemeld maakt dit niet anders.
Nu gedaagde het besluit op bezwaar heeft gebaseerd op een onjuiste
feitelijke grondslag komt dit besluit - evenals de aangevallen uitspraak
waarbij dit besluit in stand is gelaten - wegens strijd met het bepaalde
in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor
vernietiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op 644,-- in
beroep en op 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 21 januari 2004;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
1.288,--, te betalen door de gemeente Moordrecht;
Bepaalt dat de gemeente Moordrecht aan appellant het in beroep en in
hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 133,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M.
Reijnierse als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart
2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) L.M. Reijnierse.
|
|