|
Uitspraak
05/184 WWB en 05/185 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellanten], beiden wonende te [woonplaats], appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Anhem,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. A. Kara, advocaat te Maastricht, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29
november 2004, reg.nr. 04/1036.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 maart 2006, waar M. Ak in
persoon is verschenen, bijgestaan door M. Sahin als tolk, en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door W.A.A. van Wees,
werkzaam bij de gemeente Arnhem.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellanten hebben over de periode van 8 december 1988 tot 23 augustus
2000 een bijstandsuitkering ontvangen, laatstelijk ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.
Naar aanleiding van tips dat appellanten in Turkije over vermogen
beschikken, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de
rechtmatigheid van de aan hen verleende bijstand. In het kader van dat
onderzoek heeft het Bureau Buitenland in Turkije onderzoek verricht en
hebben appellanten verklaringen afgelegd.
Op basis van de bevindingen van dit onderzoek, waarvan verslag is gedaan
in een rapport van 10 februari 2003, heeft gedaagde bij besluit van 21
maart 2003, met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a,
van de Abw het recht op bijstand van appellanten over de periode van 1
juli 1997 tot 23 augustus 2000 herzien (lees: ingetrokken) en, met
toepassing van de artikelen 81 en 84 van de Abw de over deze periode
gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 37.160,02 van hen
teruggevorderd. Aan dit besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat
appellanten geen mededeling hebben gedaan van aan hen toebehorende
vermogensbestanddelen in Turkije.
Bij besluit van 30 maart 2004, verzonden op 2 april 2004, heeft gedaagde
het tegen het besluit van 21 maart 2003 gemaakte bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen omtrent
griffierechten en proceskosten - het beroep van appellanten tegen het
besluit van 30 maart 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd
voorzover daarbij het recht op bijstand is ingetrokken en bepaald dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand
blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de enkele schending
van de inlichtingenverplichting van artikel 65, eerste lid, van de Abw
op zichzelf geen toereikende basis biedt voor de conclusie dat er geen
recht op bijstand bestaat. Voorzover het besluit van 30 maart 2004 ziet
op de intrekking heeft de rechtbank dit besluit wegens strijd met
artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
vernietigd. In het feit dat de waarde van het vermogen van appellanten
de grens van het vrij te laten vermogen ruim overtrof heeft de rechtbank
aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de
Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit in stand
te laten.
Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de
rechtbank gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op grond van de door
gedaagde verzamelde onderzoeksgegevens voldoende is komen vast te staan
dat appellanten ten tijde hier van belang beschikten over (in strijd met
artikel 65, eerste lid, van de Abw niet aan gedaagde gemeld) vermogen
waarvan de waarde ruim uitsteeg boven de toepasselijke vermogensgrens
als bedoeld in artikel 54 van de Abw. In hetgeen in hoger beroep - bij
wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg - is aangevoerd
noch anderszins in de voorhanden gegevens heeft de Raad
aanknopingspunten gevonden om in een andere zin dan de rechtbank te
oordelen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en
verwijst daarnaar.
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt
en dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, moet worden
bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M.
Reijnierse als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart
2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) L.M. Reijnierse.
|
|