|
Uitspraak
voorzieningenrechter 06/1271 WWB-VV
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om
voorlopige voorziening van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van voorzieningenrechter van de rechtbank
's-Gravenhage van 19 januari 2006, 05/8907 en 05/6915 (hierna:
aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage
(hierna: College).
Datum uitspraak: 4 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2006.
Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten
vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de
voorzieningenrechter uit van de volgende voor de beoordeling van het
verzoek van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Verzoeker, geboren in 1977, heeft op 29 maart 2001 een aanvraag voor een
bijstandsuitkering ingediend. Het College heeft hem met ingang van 7
februari 2001 recht op bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw)
toegekend naar de norm voor een alleenstaande en in het
toekenningsbesluit het vermogen van verzoeker bij de aanvang van de
bijstand op nihil vastgesteld.
Uit van de belastingdienst en van de Sociale Recherche Duin- en
Bollenstreek verkregen informatie is naar voren gekomen dat op naam van
verzoeker twee bankrekeningen stonden die niet bij het College bekend
waren. Het betreft hier een kapitaalmarktrekening, nr. 966104064,
geopend op 30 oktober 1997 met een tegoed van f 15.000,-- en een
internetspaarrekening, nr. 947583661, geopend op 23 december 2003 met
een tegoed van € 62.575,--. Dit laatste tegoed is ontstaan door
overschrijving van het bedrag dat op 24 november 2003 op eerstgenoemde
rekening is bijgeschreven als uitkering wegens letselschade in verband
met een verzoeker in 1994 overkomen ongeval met een brommer.
Bij besluit van 12 augustus 2004 heeft het College met toepassing van
artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het recht op
bijstand van verzoeker over de periode van 7 februari 2001 tot en met 30
april 2004 ingetrokken. Voorts heeft het College met toepassing van
artikel 81, eerste lid, van de Abw de gemaakte kosten van bijstand over
de periode van 7 februari 2001 tot en met 30 april 2004 tot een bedrag
van € 35.975,24 van verzoeker teruggevorderd.
Bij besluit van 22 juli 2005, voorzover van belang, heeft het College
het tegen het besluit van 12 augustus 2004 gemaakte bezwaar ongegrond
verklaard. Daarbij is tevens het terug te vorderen bedrag verhoogd tot
€ 37.091,26, wegens brutering van het over de periode van 1 januari
2004 tot en met 30 april 2004 terug te vorderen bedrag, en verder
bepaald dat dit bedrag binnen 7 werkdagen na 29 augustus 2005 dient te
worden betaald aan de gemeente Noordwijk. Aan de intrekking ligt het
standpunt ten grondslag dat verzoeker te kort is geschoten in de op hem
rustende inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan het recht op
bijstand niet kan worden vastgesteld.
Bij de aangevallen uitspraak, voorzover van belang, heeft de
voorzieningenrechter van de rechtbank het tegen het besluit van 22 juli
2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij tot augustus 2003 niet met het
bestaan van de kapitaalmarktrekening bekend was, dat zijn vader voor hem
gespaard had en dat de dagafschriften van deze rekening naar het adres
van zijn vader zijn verzonden. Hij kan zich niet verenigen met het
besluit van het College voorzover dat ziet op de periode van 7 februari
2001 tot en met augustus 2003, omdat hem over die periode geen schending
van de inlichtingenverplichting kan worden verweten. Hij heeft de
voorzieningenrechter van de Raad verzocht bij wijze van voorlopige
voorziening te bepalen dat de invordering van het teruggevorderde bedrag
van € 37.091,26 en van de daarmee verbonden administratieve kosten
wordt opgeschort.
Het College heeft bij verweerschrift de stellingen van verzoeker
gemotiveerd bestreden en met verwijzing naar het bepaalde in artikel
6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangegeven door te willen
gaan met invordering hangende de beslissing op het hoger beroep.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste
lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Voorzover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure
wordt beoordeeld heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een
voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die
procedure.
Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende aan
burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn op het recht op bijstand,
het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de
bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt uitbetaald.
Het feit dat een bankrekening op naam staat van een meerderjarige
betrokkene rechtvaardigt zowel de vooronderstelling dat de betrokkene
met het bestaan van die rekening bekend is als de vooronderstelling dat
het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het
vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan
beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om aan de
hand van objectieve en verifieerbare gegevens in genoegzame mate aan te
tonen dat het tegendeel het geval is. Naar het voorlopig oordeel van de
voorzieningenrechter is verzoeker daarin niet geslaagd. Uit de
gedingstukken blijkt weliswaar dat dagafschriften van de
kapitaalmarktrekening tijdens de in geding zijnde periode steeds aan het
woonadres van de vader van verzoeker zijn verzonden maar bescheiden van
de bank omtrent de opening van de betreffende rekening en verleende
machtiging(en) zijn niet voorhanden. De verklaring van de vader van
verzoeker van 12 oktober 2005 dat hij gemachtigde was van deze rekening
en eerst in 2003 zijn zoon op de hoogte heeft gesteld van het bestaan
van deze rekening, acht de voorzieningenrechter in dit verband
ontoereikend, waarbij nog wordt opgemerkt dat niet aannemelijk is dat
bedoelde machtiging is verstrekt zonder dat verzoeker daarbij betrokken
is geweest.
De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd
derhalve geen grond om te oordelen dat hem geen schending van de
ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende
inlichtingenverplichting (ook) over de periode van 7 februari 2001 tot
en met augustus 2003 kan worden verweten. Dit neemt niet weg dat de
wettelijke grondslag voor de onderhavige intrekking en terugvordering
ten onrechte door het College is gezocht in de artikelen 69 en 81 van de
Abw (verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 21 april 2005, LJN
AT4358 inzake overgangsrecht Wet werk en bijstand). Hoewel de
aangevallen uitspraak en het besluit tot ongegrondverklaring van het
bezwaar tegen het besluit van 12 augustus 2004 in verband daarmee niet
in stand zullen kunnen blijven, ziet de voorzieningenrechter daarin geen
grond om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. De thans
beschikbare gegevens laten immers niet alleen zien dat het tegoed op de
kapitaalmarktrekening van verzoeker gedurende de gehele periode waarop
de intrekking ziet feitelijk meer heeft bedragen dan de destijds voor
een alleenstaande geldende vermogensgrens maar ook dat het College
bevoegd kan worden geacht tot intrekking van het recht op bijstand en
terugvordering van de kosten van bijstand met toepassing van artikel 54,
derde lid, aanhef en onder a, respectievelijk 58, eerste lid, aanhef en
onder a, van de Wet werk en bijstand. De voorzieningenrechter ziet thans
geen aanknopingpunten om te oordelen dat het College met betrekking tot
de periode van 7 februari 2001 tot en met 30 april 2004 niet in
redelijkheid van deze discretionaire bevoegdheden gebruik zou kunnen
maken.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening
dient te worden afgewezen.
Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de
voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 4 april 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.J. van der Veen.
|
|