|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/439 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 31 december 2004, reg.nrs.
04/2400 WWB VV en 04/2401 WWB.
Namens gedaagde heeft mr. D.P.F. Arens, advocaat te Tilburg, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 februari 2006, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente Tilburg, en waar
gedaagde, met voorafgaand schriftelijk bericht, niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Gedaagde ontving laatstelijk een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand
(Wwb) naar de norm voor een alleenstaande.
In het kader van het project kostgangers/kamerhuurders is door het
Bureau Fraudebestijding van de gemeente Tilburg een onderzoek ingesteld
naar de woon- en leefsituatie van gedaagde.
Op grond van de resultaten van dat onderzoek heeft appellant bij besluit
van 13 oktober 2004 het recht op bijstand van gedaagde met ingang van 7
oktober 2004 beëindigd. Hieraan heeft appellant ten grondslag gelegd
dat is gebleken dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met
[naam partner] (hierna: [naam partner]).
Het tegen het besluit van 13 oktober 2004 gemaakte bezwaar heeft
appellant bij besluit van 11 november 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter, voorzover
hier van belang, het beroep tegen het besluit van 11 november 2004 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald
dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daartoe heeft
de voorzieningenrechter overwogen dat de onderzoeksbevindingen een
ontoereikende grondslag bieden voor het standpunt van appellant dat
gedaagde en [naam partner] ten tijde hier van belang blijk hebben
gegeven zorg te dragen voor elkaar.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wwb is van een gezamenlijke
huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel
van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
De Raad stelt voorop dat, evenals onder de Algemene bijstandswet, ook
onder de Wwb aan twee criteria dient te zijn voldaan wil sprake zijn van
een gezamenlijke huishouding, namelijk het gezamenlijke hoofdverblijf en
de wederzijdse zorg. Dit betekent dat de op grond van artikel 3 van de
Abw tot stand gekomen jurisprudentie terzake haar gelding blijft
behouden onder de Wwb.
Vaststaat dat gedaagde en [naam [naam partner] sinds 31 maart 1972 hun
hoofdverblijf hebben in de woning van gedaagde. Voor de beantwoording
van de vraag of ten tijde hier van belang, te weten op 7 oktober 2004,
sprake was van een gezamenlijke huishouding is derhalve uitsluitend
bepalend of voldaan is aan het criterium van wederzijdse zorg.
Op grond van vaste rechtspraak kan wederzijdse zorg blijken uit een
bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die
verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee
samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of
slechts in geringe mate sprake is kunnen ook andere feiten en
omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars
verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen
gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn,
is bepalend voor het antwoord op de vraag of aan het
verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.
Anders dan de voorzieningenrechter is de Raad van oordeel dat de
beschikbare onderzoeksgegevens voldoende aanknopingspunten bieden voor
het oordeel dat er op 7 oktober 2004 sprake was van wederzijdse zorg.
Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat gedaagde kookt, strijkt
en wast voor [naam partner], dat gedaagde de kosten van het gebruik van
energie, water en de gemeentelijke heffingen betaalt, dat [naam partner]
de uitbouw van de woning en de kosten voor het aanbrengen van rolluiken
heeft betaald alsmede de kosten van de aanschaf van een breedbeeld
televisie. Voorts acht de Raad van belang dat gedaagde en [naam partner]
gezamenlijk gebruik maken van de in de woning aanwezige voorzieningen.
In verband met zijn ziekte verblijft [naam partner] vooral in de serre
van de woonkamer. Verder staan op het naambordje bij de voordeur de
voornamen van gedaagde en [naam partner].
Aan de stelling dat gedaagde met [naam partner] een kostgangersrelatie
onderhield gaat de Raad voorbij. Los van de omstandigheid dat het bedrag
van € 200,-- dat van Gorp maandelijks aan gedaagde betaalde niet als
een commerciële prijs voor het gebodene kan worden aangemerkt en een
kostgangersovereenkomst ontbreekt, is de Raad van oordeel dat
bovenvermelde omstandigheden verder strekken dan in een zakelijk
kostgangersrelatie gebruikelijk is. Hetgeen gedaagde overigens in dit
verband naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet tot een ander
oordeel kunnen brengen.
Gelet op voormeld samenstel van omstandigheden is naar het oordeel van
de Raad voldoende komen vast te staan dat sprake was van wederzijdse
zorg. Gedaagde en[naam partner] voeren derhalve ten tijde hier van
belang een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid,
van de Wwb en moeten voor de toepassing van die wet als gehuwden worden
aangemerkt. Dit betekent dat gedaagde geen zelfstandig subject van
bijstand is. Zij heeft dan ook geen recht op algemene bijstand naar de
norm voor een alleenstaande. Appellant heeft derhalve terecht het recht
op bijstand met ingang van 7 oktober 2004 beëindigd.
Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak, voorzover
aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de
rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit
van 11 november 2004 ongegrond verklaren.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 november 2004 ongegrond.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr.
L.M. Reijnierse als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21
maart 2006.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) L.M. Reijnierse.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|