|
Uitspraak
05/882 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Breda van 14 januari 2005, reg.nr. 04/1158 WWB.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7
maart 2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Op 4 januari 2004 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere
bijstand in de kosten van woninginrichting.
Die aanvraag is door gedaagde bij besluit van 9 februari 2004 afgewezen.
Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt met een
bezwaarschrift gedateerd 18 maart 2004.
Bij besluit van 29 april 2004 heeft gedaagde het bezwaar
niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het
bezwaarschrift. Gedaagde heeft daarbij overwogen dat het bezwaarschrift
niet tijdig op het daartoe bestemde adres is ontvangen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 29 april 2004 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt vast dat het besluit van 9 februari 2004 door gedaagde op
de in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
voorgeschreven wijze bekend is gemaakt door toezending aan het adres van
appellante. Gelet op de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb ving de termijn
om bezwaar te maken aan op 10 februari 2004 en eindigde op 22 maart
2004.
In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bezwaarschrift
tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is
ontvangen.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat het bezwaarschrift van
appellante eerst op 26 maart 2004 is ontvangen. Voor de juistheid van de stelling van
appellante dat zij het bezwaarschrift per post naar haar casemanager
zou hebben gestuurd bieden de gedingstukken geen steun. Haar zonder
nadere aanduiding aan "Wieneke" (de casemanager van
appellante) geadresseerde bezwaarschrift is blijkens het advies van de
commissie bezwaar- en beroepschriften niet per post verzonden, maar
bezorgd of afgegeven. Het bezwaarschrift is doorgeleid naar het bureau
Bezwaar en beroep van de afdeling juridische zaken van de sector sociale
zaken van de gemeente Tilburg en aldaar als bezwaarschrift
geregistreerd. Niet is komen vast te staan op welke wijze en op welk
tijdstip appellante het bezwaarschrift heeft aangeboden. Tijdens de
hoorzitting op 20 april 2004 heeft appellante het gebruik van medicijnen
als excuus aangevoerd. Enig bewijs voor de stelling dat het
bezwaarschrift eerder dan op 26 maart 2004 op het kantoor van de sector
sociale zaken van de gemeente Tilburg zou zijn aangeboden, ontbreekt. Op
grond van de thans beschikbare gegevens kan dan ook niet als vaststaand
worden aangenomen dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend.
In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop
van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op
grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet geoordeeld
kan worden dat de indiener in verzuim is geweest.
Van redenen als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb op grond waarvan
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is
geweest, is de Raad niet gebleken.
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde het bezwaar
van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent
dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. A.B.J.
van der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van
S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart
2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|