|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/5922 WWB
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel
21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),
van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van
Beroep van 30 augustus 2005, 05/3856 WWB,
in het geding in hoger beroep tussen:
verzoekster
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam
(hierna: College).
Datum uitspraak: 11 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de
voorzieningenrechter van de Raad van 30 augustus 2005, 05/3856 WWB.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden 28 maart 2006.
Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr.dr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam. Het College heeft zich laten
vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in
samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van
een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van
feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet
bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden
hebben kunnen leiden.
De Raad stelt vast dat de gronden die verzoekster tegen de uitspraak van
30 augustus 2005 heeft aangevoerd, en de in verband hiermede ingediende
stukken, niet kunnen worden aangemerkt als feiten of omstandigheden als
bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De feiten en omstandigheden waarop verzoekster
zich beroept dateren alle van vóór deze uitspraak en zijn in de
procedure die tot de uitspraak heeft geleid - materieel - ook aan de
orde geweest. Er is derhalve geen sprake van feiten of omstandigheden
die bij verzoeker vóór de uitspraak niet bekend waren.
Wat verzoekster met het verzoek om herziening in wezen beoogt, is het
ter discussie stellen van de juistheid van de uitspraak van 30 augustus
2005. Daarvoor is het - bijzondere - rechtsmiddel van herziening echter
niet bedoeld.
Het verzoek om herziening dient daarom te worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 11 april 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.J. van der Veen.
|
|