|
Uitspraak
05/129 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. R.H.M.Ch. Libotte, advocaat te Maastricht,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht
van 7 december 2004, reg.nr. 04/712 WWB.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd aan de Raad
nadere stukken gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 februari 2006, waar voor
appellante is verschenen mr. F.Y. Gans, kantoorgenoot van mr. Libotte,
en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante ontving een bijstandsuitkering, aanvankelijk ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) en sedert 1 januari 2004 op grond van de Wet
werk en bijstand (Wwb).
Bij besluit van 8 januari 2004 heeft gedaagde met toepassing van artikel
69, derde lid, van de Abw het recht op bijstand van appellante over de
periode van 24 december 2002 tot en met 30 november 2003 herzien.
Hieraan heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat is gebleken dat
appellante over die periode een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft ontvangen zonder dat deze
in mindering is gebracht op haar bijstandsuitkering. Gedaagde heeft
daarbij overwogen dat er geen grond is om de WAO-uitkering van
appellante met toepassing van artikel 43, tweede lid, aanhef en onder m
en n, van de Abw (deels) vrij te laten. Voorts heeft gedaagde met
toepassing van artikel 78, tweede lid, van de Abw de WAO-uitkering over
de betreffende periode tot een bedrag van € 1.245,38 verrekend met de bijstandsuitkering van appellante over de
maanden oktober 2003 en december 2003.
Bij besluit van 30 maart 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 8 januari 2004 deels gegrond en deels ongegrond verklaard.
Gedaagde heeft daarbij de herziening van het recht op bijstand over de
periode van 24 december 2002 tot en met 30 november 2003 gehandhaafd en
daaraan alsnog het bepaalde in artikel 54, derde lid, aanhef en onder b,
van de Wwb ten grondslag gelegd. Voorts heeft gedaagde met toepassing
van artikel 58, derde lid, van de Wwb de over de periode van 1 juli 2003
tot en met 30 november 2003 ontvangen WAO-uitkering ter hoogte van €
445,44 verrekend met de bijstandsuitkering van appellante over de
periode van 1 oktober 2003 tot en met 31 januari 2004. Gedaagde heeft
het besluit van 8 januari 2004 herroepen in die zin dat de verrekening
van de over de periode van 24 december 2002 tot en met 30 juni 2003
ontvangen WAO-uitkering ter hoogte van € 688,58 ongedaan wordt
gemaakt. In plaats daarvan heeft gedaagde met toepassing van artikel 58,
eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb de over de periode van 24
december 2002 tot en met 30 juni 2003 gemaakte kosten van bijstand tot
een bedrag van € 688,58 van appellante teruggevorderd. Daarbij is
medegedeeld dat de ten onrechte verrekende bijstand aan appellant zal
worden gerestitueerd. Ten slotte heeft gedaagde aan appellante met
toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) een bedrag van € 322,-- toegekend als vergoeding van de kosten die appellante in
verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten
maken.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 30 maart 2004 ongegrond verklaard. Hierbij heeft de
rechtbank onder meer geoordeeld dat gedaagde wat betreft de vermindering
van de vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het
bezwaar in redelijkheid heeft kunnen beslissen tot toepassing van de
deelfactor omdat appellante niet volledig maar slechts gedeeltelijk in
het gelijk, is gesteld.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Daartoe heeft appellante aangevoerd dat haar WAO-uitkering moet worden
beschouwd als inkomen uit arbeid dat ingevolge artikel 43, tweede lid,
aanhef en onder m en n van de Abw moet worden vrijgelaten. Voorts heeft
zij betoogd dat het gedaagde niet was toegestaan de over de periode van 1 juli 2003 tot en met 30 november 2003 ontvangen WAO-uitkering te
verrekenen met haar bijstandsuitkering over de periode van 1 oktober
2003 tot en met 31 januari 2004. Ten slotte heeft appellante aangegeven
dat gedaagde een bedrag van € 644,-- had moeten toekennen als vergoeding van de kosten die
appellante in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs
heeft moeten maken.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met ingang van 1 januari 2004 is de Wwb in werking getreden en is de Abw
ingetrokken. Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van
21 april 2005, LJN AT4358, volgt dat gedaagde vanaf 1 januari 2004 aan
de artikelen 54 en 58 van de Wwb zijn bevoegdheid ontleent om tot
herziening of intrekking van het recht op bijstand en tot terugvordering
van de kosten van bijstand over te gaan, en dat de rechten en
verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden
beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of
gedurende het tijdvak waarop die rechten betrekking hebben.
De Raad stelt vast dat appellante over de periode van 24 december 2002
tot en met 30 november 2003 een WAO-uitkering heeft genoten. Tussen
partijen is in geschil of de WAO-uitkering gedurende die periode
volledig op de bijstandsuitkering van appellante in mindering dient te
worden gebracht.
Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw heeft de
alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand, indien het in
aanmerking te nemen inkomen lager is dan de toepasselijke bijstandsnorm.
Ingevolge artikel 42, eerste volzin, van de Abw worden alle vermogens-
en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt
of redelijkerwijs kan beschikken, tot de middelen gerekend. Dit is
slechts anders, indien zich een van de in artikel 43, tweede lid, van de
Abw opgenomen uitzonderingen voordoet. Op grond van artikel 43, tweede
lid, aanhef en onder m en n, van de Abw worden inkomsten uit arbeid tot
een bepaalde hoogte en onder bepaalde omstandigheden niet tot de
middelen van de belanghebbende gerekend.
Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van de ontvangst van de
WAO-uitkering door appellante ter zake geen daadwerkelijke arbeid werd
verricht. De WAO-uitkering moet derhalve voor de toepassing van de Abw
worden aangemerkt als inkomen in verband met arbeid en niet uit arbeid.
Dat de wetgever een dergelijk onderscheid heeft willen maken blijkt uit
de - duidelijke - bewoordingen van artikel 47, eerste lid, aanhef en
onder a, van de Abw alsmede uit de wetgeschiedenis bij de invoering van
de vrijlatingsregeling.
Gelet op het complementaire karakter van de Abw ziet de Raad geen ruimte
om aan een uitzonderingsbepaling als artikel 43, tweede lid, van de Abw
een strekking toe te kennen die ruimer is dan waartoe de tekst van die
bepaling aanleiding geeft. Dit betekent dat, anders dan appellante heeft
betoogd, de uitzondering van artikel 43, tweede lid, aanhef en onder m
en n, van de Abw zich in haar geval niet voordoet. Gedaagde heeft zich
dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen toepassing gegeven
dient te worden aan de vrijlatingsfaciliteit als bedoeld in artikel 43,
tweede lid, aanhef en onder m en n van de Abw en dat de WAO-uitkering
volledig op appellantes bijstandsuitkering in mindering dient te worden
gebracht. In hetgeen overigens door appellante is aangevoerd, ziet de
Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.
Vaststaat dat de WAO-uitkering niet is betrokken bij de bepaling van de
omvang van het recht op bijstand van appellante over de periode van 24
december 2002 tot en met 30 november 2003. Indien daarmee rekening wordt
gehouden, leidt dit tot de conclusie dat aan appellante over die periode
tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Niet gebleken is dat dit
zijn oorzaak vindt in het niet of niet behoorlijk nakomen van de
inlichtingenverplichting. Gedaagde was dan ook bevoegd om op grond van
artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de Wwb het recht op
bijstand van 24 december 2002 tot en met 30 november 2003 te herzien en
alsnog met de WAO-uitkering van appellante rekening te houden. De Raad
is niet gebleken dat gedaagde bij afweging van de hierbij rechtstreeks
betrokken belangen in redelijkheid niet tot herziening van het recht op
bijstand van appellante heeft kunnen besluiten. De Raad neemt daarbij in
aanmerking dat het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest
dat de WAO-uitkering van appellante moet worden aangemerkt als inkomen
dat volledig op haar bijstandsuitkering in mindering dient te worden
gebracht.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat aan appellante over de periode
van 24 december 2002 tot en met 30 juni 2003 tot een te hoog bedrag
bijstand is verleend als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel
54, derde lid, aanhef en onder b, van de Wwb. Gedaagde was derhalve op
grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb bevoegd
om de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante terug
te vorderen voorzover de bijstand tot een te hoog bedrag is verleend. De
Raad is niet gebleken dat gedaagde bij de afweging van de hierbij
rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid van zijn
bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken.
De Raad is voorts met de rechtbank en gedaagde, en anders dan
appellante, van oordeel dat de verrekening van de over de periode van 1
juli 2003 tot en met 30 november 2003 ontvangen WAO-uitkering ter hoogte
van € 445,44 met de bijstandsuitkering over de periode van 1 oktober
2003 tot en met 31 januari 2004 is toegestaan op grond van artikel 58,
derde lid, van de Wwb. Uit dat artikellid kan immers worden afgeleid dat
inkomsten over drie voorafgaande maanden met de lopende
bijstandsuitkering kunnen worden verrekend zonder dat een
terugvorderingsbesluit nodig is.
Met betrekking tot de vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel
7:15, tweede lid, van de Awb overweegt de Raad als volgt.
Gedaagde heeft de vergoeding van de kosten die appellante in verband met
de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, en die
met toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het
Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) op € 644,-- kunnen worden
gesteld, met toepassing van artikel 2, tweede lid, eerste volzin van het
Bpb verminderd en bepaald op € 322,--. Daarvoor heeft gedaagde
redengevend geacht dat appellante in bezwaar slechts gedeeltelijk in het
gelijk is gesteld. De Raad kan gedaagde hierin niet volgen. De Raad acht
- anders dan gedaagde en de rechtbank - voor een matiging van de
vergoeding van de in geding zijnde kosten niet beslissend of appellante
gedeeltelijk in het gelijk is gesteld maar of appellante op een punt van
ondergeschikt belang in het gelijk is gesteld. Naar het oordeel van de
Raad is van dit laatste in het onderhavige geval geen sprake. Appellante
heeft immers niet alleen - terecht - bezwaar gemaakt tegen de onjuist
gehanteerde wettelijke grondslag (Wwb in plaats van Abw), maar tevens
tegen de ten onrechte toegepaste verrekening van de WAO-uitkering. Voor
een matiging van de vergoeding bestond derhalve geen grond.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aangevallen
uitspraak voorzover deze ziet op de vergoeding van de kosten in verband
met de behandeling van het bezwaar, dient te worden vernietigd. De Raad
zal - doende wat de rechtbank zou behoren te doen - het beroep in
zoverre gegrond verklaren en het besluit van 30 maart 2004 wegens strijd
met artikel 2, tweede lid, eerste volzin, van het Besluit proceskosten
bestuursrecht vernietigen voorzover dat ziet op de vergoeding van de
kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. De Raad zal
voorts, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met
artikel 7:15, tweede lid tot en met vierde lid, van de Awb gedaagde
veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling
van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De Raad begroot deze
kosten op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand. Dit betekent dat
appellante nu haar ter zake van deze kosten reeds € 322,-- is vergoed,
nog recht heeft op nabetaling van een bedrag van € 322,--.
De Raad ziet tevens aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante, begroot op € 644,-- in beroep en op €
644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover deze ziet op de
vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar;
Verklaart het beroep in zoverre gegrond;
Vernietigt het besluit van 30 maart 2004 voorzover dit ziet op de
vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de kosten van appellante in verband met de
behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep tot een
bedrag van € 1.932,-- te betalen door de gemeente Maastricht;
Bepaalt dat de gemeente Maastricht aan appellante het in beroep en in
hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 139,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C.
Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2006.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) R.C. Visser.
|
|