|
Uitspraak
05/2032 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22
maart 2005, reg.nr. 04/584 WWB.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28
februari 2006, waar partijen, gedaagde met voorafgaand bericht, niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten
verwijst de Raad naar de
aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellant ontving vanaf 24 augustus 2001 van gedaagde een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een
alleenstaande. Met ingang van 15 september 2002 heeft appellant met de
Stichting Gemeentelijke Werkgelegenheidsprojecten een
arbeidsovereenkomst gesloten in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden
(Wiw) en is hij in dat verband gaan werken bij Impuls. De bijstand is
met ingang van laatstgenoemde datum beëindigd. Per 14 november 2002 is
appellant in de proeftijd ontslagen, waarna hem bij besluit van 21
januari 2003 met ingang van 24 december 2002 weer een uitkering
ingevolge de Abw is toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij
dat besluit is hij erop gewezen dat voor hem de arbeidsverplichtingen op
grond van artikel 113 van de Abw gelden.
Bij besluit van 7 november 2003 heeft gedaagde met toepassing van
artikel 106 van de Abw aan appellant de verplichting opgelegd om mee te
werken aan een psychodiagnostisch/psychotechnisch onderzoek bij
Argonaut.
Bij besluit van 13 april 2004 heeft gedaagde de bezwaren van appellant
tegen het besluit van 7 november 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant
tegen het besluit van 13 april 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Uit de gedingstukken, waaronder de Eindrapportage Wiw/Start Voortraject
van 13 maart 2003, de rapportage heronderzoek doelmatigheid van 22
oktober 2003 en de notitie deelnemer van 16 december 2003 blijkt dat
appellant langdurig werkloos is en dat hij sedert lange tijd begeleid
wordt bij het vinden van werk. In het kader daarvan is appellant een
dienstverband in het kader van de Wiw aangeboden, welk dienstverband in
de proeftijd is beëindigd. De oorzaak daarvan ligt blijkens de genoemde
Eindrapportage in een gebrek aan sociale en communicatieve vaardigheden
bij appellant. Vervolgens is in samenspraak met appellant besloten dat
hij aan een voortraject zou gaan deelnemen. In dat verband zou eerst een
psychodiagnostisch/psychotechnisch onderzoek plaatsvinden om te kunnen
vaststellen welk traject ten behoeve van de inschakeling in de arbeid
was aangewezen. Appellant heeft uiteindelijk geweigerd mee te werken aan
dit onderzoek, aangezien hij de noodzaak daarvan niet in zag. Vervolgens
is appellant bij besluit van 7 november 2003 de verplichting opgelegd om
mee te werken aan een psychodiagnostisch/psychotechnisch onderzoek bij
Argonaut.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde op grond van
artikel 106 van de Abw bevoegd is aan appellant één of meer specifieke
verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid op te leggen. In dat
kader heeft gedaagde in redelijkheid aan appellant de verplichting
kunnen opleggen om mee te werken aan een psychodiagnostisch/psychotechnisch
onderzoek bij Argonaut. De Raad baseert zich daarbij op inhoud van de
genoemde rapporten. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om die
voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit die
rapporten genoegzaam dat met het oog op het te volgen traject door
appellant ten behoeve van de inschakeling in de arbeid deelname aan een
psychodiagnostisch/psychotechnisch onderzoek was aangewezen, hetgeen hem
in diverse gesprekken is meegedeeld. Voorts heeft gedaagde zowel in het
primaire besluit van 7 november 2003 als in het besluit op bezwaar van
13 april 2004 aangegeven wat de reden voor het onderzoek bij Argonaut
was. De Raad kan appellant dan ook niet volgen in zijn stelling dat het
besluit van 13 april 2004 onvoldoende is gemotiveerd. Dat appellant
blijkens de in hoger beroep namens hem ingezonden gedingstukken thans
kennelijk het recht heeft rapportering aan gedaagde te blokkeren doet er
niet aan af dat de in geding zijnde verplichting aan appellant kon en
mocht worden opgelegd.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C.
Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2006.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) R.C. Visser.
|
|