|
Uitspraak
voorzieningenrechter 06/778 WWB-VV en 06/766 WWB
U I T S P R A A K
als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht, en artikel 21 van de Beroepswet naar
aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
Zwolle-Lelystad van
30 januari 2006, 05/2306 en 05/2307 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle
(hierna: College).
Datum uitspraak: 19 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en
tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2006.
Verzoeker is - hoewel hiertoe door de Raad ambtshalve opgeroepen - niet
verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van
der Brug, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de
rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in
artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de
voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader
onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de
hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en
dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk
uitspraak te doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van
belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij (nader) besluit van 19 december 2005 heeft het College het besluit
van 20 juli 2004 gehandhaafd, waarbij de aanvraag van appellant van 22
april 2004 om bijzondere bijstand voor kosten van inrichting van de
woning aan de [adres] te [woonplaats] is afgewezen. Het College heeft
zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde kosten niet zijn aan te
merken als noodzakelijke kosten, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van
de Algemene bijstandswet, op de grond dat van de noodzaak van het
verwerven en aanhouden van een eigen permanente woonruimte niet is
gebleken.
Bij de aangevallen uitspraak is - onder meer - het tegen het besluit van
19 december 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Uit de gedingstukken blijkt dat de woning aan de [adres] per 24 mei 2004
aan verzoeker is toegewezen. Op 18 juni 2004 is door twee medewerkers
van Sociale Zaken een huisbezoek op dit adres afgelegd, waarbij een
nagenoeg lege woning werd aangetroffen. Op 25 januari 2005 is verzoeker
verhuisd naar het adres [adres 2] te [woonplaats]. Voorts is de Raad uit
de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat
verzoeker daadwerkelijk inrichtingskosten heeft gemaakt voor de woning
aan de [adres].
Voorzover verzoeker met het instellen van zijn hoger beroep heeft beoogd
alsnog in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand voor
inrichtingskosten voor de woning aan de [adres] overweegt de
voorzieningenrechter het volgende. De voorzieningenrechter leidt uit het
voorgaande af dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd
niet zijn gemaakt, en ook niet meer kunnen worden gemaakt nu verzoeker
niet meer woonachtig is op het adres [adres]. Dit heeft tot gevolg dat
verzoeker in zoverre geen belang meer heeft bij een inhoudelijke
beslissing op zijn hoger beroep.
Voorzover verzoeker heeft beoogd (tevens) een oordeel te verkrijgen ter
zake van de vraag of verhuizing naar de woning in geding dan wel naar
een andere woning noodzakelijk was, merkt de voorzieningenrechter op dat
beantwoording van die vraag in dit geding uitsluitend nog principiële
betekenis heeft. Volgens vaste rechtspraak, ook van de Raad, vormt de
enkele wens om een principiële uitspraak te verkrijgen in het kader van
de rechtsbescherming ingevolge de Awb geen rechtens te honoreren
procesbelang.
Het hoger beroep dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Datzelfde geldt vervolgens voor het verzoek om voorlopige voorzieningen.
Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de
voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
in de hoofdzaak:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
op het verzoek om voorlopige voorziening:
Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 19 april 2006.
(get.) C. van Viegen.
(get.) M. Pijper.
|
|