|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/2035 WWB
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 februari 2005,
04/2931 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam
(hierna: College).
Datum uitspraak: 18 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.C. Walker, advocaat te Amsterdam, hoger
beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante is een nader stuk ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 6
maart 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Walker. Het
College heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten
vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 12 januari 2004 heeft het College de aanvraag van
appellante om een bijstandsuitkering afgewezen. Op 24 februari 2004 heeft appellante haar bezwaarschrift tegen dit besluit
bij het College afgegeven. Bij besluit van 25 mei 2004 heeft het College
het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens - niet verschoonbare -
overschrijding van de bezwaartermijn. Bij de aangevallen uitspraak heeft
de rechtbank het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond
verklaard.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten
grondslag gelegde overwegingen. Dit betekent dat ook de Raad appellante
niet volgt in haar stellingname dat zij als gevolg van ernstige
psychische problemen niet in staat was tijdig bezwaar te maken dan wel
de juiste persoon in te schakelen om haar belangen te behartigen, en
evenmin in haar stellingname dat het College het besluit van 25 mei 2004
onzorgvuldig heeft voorbereid.
De Raad voegt aan het door de rechtbank overwogene nog toe, dat
appellante in staat is gebleken - tijdig - haar zus in te schakelen om
een bezwaarschrift voor haar op te stellen. Haar zus heeft het
bezwaarschrift op 5 februari 2004 aan appellante gegeven. Appellante
heeft het bezwaarschrift vervolgens op 24 februari 2004 bij het College
afgegeven. Niet valt in te zien waarom appellante op 24 februari 2004 (één
dag na het verstrijken van de bezwaartermijn) wel en in de periode van 5 februari 2004 tot en met 23 februari 2004 niet in staat zou zijn het
bezwaarschrift in te dienen.
In hoger beroep is nog aangevoerd dat het College heeft gehandeld in
strijd met het gelijkheidsbeginsel door, anders dan gebruikelijk, in het
geval van appellante niet bij de kennisgeving voor de hoorzitting in
bezwaar aan te geven dat het bezwaarschrift te laat was ingediend. De
Raad ziet echter niet dat het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat een
bestuursorgaan in alle gevallen de bezwaarschriftprocedure op dezelfde
wijze zou moeten inrichten. Bovendien is appellante tijdens de
hoorzitting ten volle in de gelegenheid gesteld - mogelijke - gronden
voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding naar voren te
brengen.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden
bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van T. Hemelrijk-van den Oudenalder als griffier,
uitgesproken in het openbaar op 18 april 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) T. Hemelrijk-van den Oudenalder.
|
|