|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/1631 WWB
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 31 januari 2005,
04/555 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht
(hierna: College).
Datum uitspraak: 25 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.L. Crutzen, advocaat te Heerlen, hoger
beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 14 maart 2006, waar
partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw)
naar de norm voor een alleenstaande. Zij heeft op 24 november 2003
verzocht om bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten van een
fauteuil, een bed, een matras en een koel/vriescombinatie.
Bij besluit van 10 december 2003 is deze aanvraag afgewezen. Bij besluit
van 17 maart 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10
december 2003 ongegrond verklaard op de grond dat appellante een beroep
kon doen op een voorliggende voorziening in de vorm van het afsluiten
van een lening bij de Kredietbank Limburg, waardoor niet wordt
toegekomen aan een toetsing aan artikel 39, eerste lid, van de Abw, dan
wel aan een toetsing aan het door de gemeente Maastricht op artikel 39,
tweede lid, van de Abw gebaseerde categoriaal beleid.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 17 maart 2004 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 39, eerste lid, van de Abw is bepaald dat, onverminderd
hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere
bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de
middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden
voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar
het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan
uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de
aanwezige draagkracht.
Ingevolge artikel 39, tweede lid, van de Abw kan, in afwijking van
artikel 6, aanhef en onder b, van de Abw, bijzondere bijstand worden
verleend, zonder dat behoeft te worden nagegaan of ten aanzien van die
persoon de hierna bedoelde kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn
gemaakt, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij behoort
aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die
leiden tot bepaalde noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de
algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven
gaat.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen ( LJN: AP8798) dient de toepassing
van categoriale bijzondere bijstandsverlening te voldoen aan een aantal
randvoorwaarden. Als randvoorwaarde geldt onder meer dat op grond van
artikel 17 van de Abw (bijzondere) bijstandsverlening alleen mogelijk is
voorzover geen recht bestaat op een tegemoetkoming uit een voorliggende
voorziening. De Raad merkt daarbij op dat ter zake geen onderscheid
wordt gemaakt tussen categoriale bijzondere bijstandsverlening en
bijzondere bijstandsverlening op grond van artikel 39, eerste lid, van
de Abw.
Gelet op het voorgaande heeft het College terecht eerst beoordeeld of
sprake is van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 17 van
de Abw.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Abw bestaat geen recht op
bijstand voorzover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende
voorziening die, gezien haar aard en doel, geacht wordt voor de
belanghebbende toereikend en passend te zijn.
Artikel 6, aanhef en onder c, van de Abw bepaalt dat onder voorliggende
voorziening moet worden verstaan elke voorziening buiten de Abw waarop
de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep op kan
doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke
uitgaven.
Het college heeft onbetwist gesteld en ook de Raad gaat er van uit dat
appellante ten tijde hier van belang geen schulden had. Gelet hierop en
op de hoogte van de in geding zijnde kosten, in totaal € 951,--, acht
de Raad het aannemelijk dat de in de gemeente Maastricht bestaande
kredietmogelijkheid bij de Kredietbank Limburg toereikend is voor de
gemaakte kosten. De Raad ziet geen grond om deze kredietmogelijkheid
niet passend te achten voor appellante. Het College heeft in dit geval
de voorliggende voorziening dan ook als toereikend en passend kunnen
aanmerken.
Het derde lid van artikel 17 van de Abw biedt de mogelijkheid om in
afwijking van de voorgaande leden, in bedoelde kosten bijstand te
verlenen indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer
dringende redenen aanwezig zijn. Blijkens de Memorie van Toelichting
dient daarbij te worden gedacht aan noodsituaties. De gedingstukken
bieden geen enkel aanknopingspunt om te oordelen dat in het geval van
appellante sprake was van een noodsituatie in de zin van het derde lid
van artikel 17 van de Abw. Dat betekent dat het College naar het oordeel
van de Raad niet de bevoegdheid toekwam om appellante bijzondere
bijstand toe te kennen.
Nu appellante blijkens hetgeen hiervoor is overwogen terecht niet voor
categoriale en individuele bijzondere bijstand in aanmerking is gebracht
behoeft hetgeen namens appellante is aangevoerd met betrekking tot het
individualiseringsbeginsel en de door het College gehanteerde
beleidsregels geen verdere bespreking.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken
in het openbaar op 25 april 2006.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|