|
Uitspraak
voorzieningenrechter 06/1148 WWB-VV en 06/2226 WWB-VV
U I T S P R A A K
Als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op de verzoeken om
voorlopige voorziening van:
1. het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede
(hierna: College)
en
2. [betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
in verband met het hoger beroep van:
het College
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 januari 2006, 05/3578
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
betrokkene
en
het College.
Datum uitspraak: 25 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Het College heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het College heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening
gedaan.
Namens betrokkene heeft mr. Van Ham tevens een verzoek om een voorlopige
voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2006. Het
College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Klok, werkzaam bij de gemeente Ede. Betrokkene is verschenen met
bijstand van mr. L. van Gaalen, kantoorgenoot van mr. Van Ham.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de voor de beoordeling van de verzoeken van
belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter
naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij besluit van 31 mei 2005 heeft het College de aanvraag van betrokkene
om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) met toepassing
van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten
behandeling gelaten op de grond dat betrokkene niet alle voor de
beoordeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens heeft verstrekt.
Bij besluit van 9 augustus 2005 heeft het College het bezwaar tegen het
besluit van 31 mei 2005 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 31 augustus 2005 heeft het College naar aanleiding van
een nieuwe aanvraag van betrokkene met ingang van 21 juni 2005 aan
betrokkene recht op bijstand ingevolge de Wwb toegekend.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 9 augustus 2005
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit
van 31 mei 2005 herroepen en bepaald dat het College met inachtneming
van die uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag om bijstand neemt.
Volgens de rechtbank kan niet worden gezegd dat de gevraagde gegevens
noodzakelijk zijn om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Naar
het oordeel van de rechtbank heeft het College dan ook in redelijkheid
geen gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid de aanvraag met
toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling te laten.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan,
indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18,
eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van
de Raad, zie onder meer de uitspraak van 2 december 2003, LJN AO0764, de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep
een verzoek om voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door
middel van de zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de
hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een
voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen
sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de
in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid
onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om
voorlopige voorziening af te wijzen.
Met betrekking tot het verzoek van het College overweegt de
voorzieningenrechter het volgende.
Het College heeft aangevoerd dat de spoedeisendheid is gelegen in de
omstandigheid dat als het College ter uitvoering van de aangevallen
uitspraak bijstand verstrekt, de mogelijkheid bestaat indien in hoger
beroep die uitspraak wordt vernietigd, dat deze bijstand gezien de
financiële positie van betrokkene, niet dan slechts met grote
inspanning kan worden terug- en ingevorderd.
De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door het College is aangevoerd
geen zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de bodemprocedure
niet kan worden afgewacht.
Ingevolge artikel 19 van de Beroepswet in samenhang met bijlage C bij de
Beroepswet schort het hoger beroep, ingesteld tegen een uitspraak met
betrekking tot een besluit op grond van de Wwb, de werking van die
uitspraak niet op. Gelet op deze uitdrukkelijke bedoeling van de
wetgever, komt een dergelijk, door het College beschreven risico voor
rekening van het bijstandsverlenend orgaan tenzij bijzondere
omstandigheden nopen om hiervan af te wijken. Van dergelijke bijzondere
omstandigheden is de voorzieningenrechter niet gebleken. Ook anderszins
is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor het College zo
zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen
worden afgewacht nu het geschil ziet op uitsluiting van het recht op
bijstand gedurende een in het verleden liggend afgesloten tijdvak.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van het College om een
voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.
Met betrekking tot het verzoek van betrokkene overweegt de
voorzieningenrechter het volgende.
Betrokkene heeft onder meer verzocht om bij wijze van voorlopige
voorziening te bepalen dat het College op straffe van een dwangsom van
€ 100,- per dag binnen twee weken na verzending van de uitspraak van
de Raad een besluit neemt ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.
Daarbij is namens betrokkene aangevoerd dat zij financiële zekerheid
wenst mede gelet op de schade die zij heeft geleden als gevolg van de
handelwijze van het College. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft
zij enige stukken met betrekking tot gemaakte schulden ingezonden.
De voorzieningenrechter acht hierin evenwel onvoldoende grond aanwezig
om te oordelen dat er sprake is van een spoedeisend belang die het
treffen van een voorlopige voorziening vordert. Gesteld noch gebleken is
dat er voor betrokkene bedreigende schulden zijn. Ter zitting is namens
betrokkene bevestigd dat sedert 21 juni 2005 aan betrokkene bijstand
naar de toepasselijke norm betaalbaar is gesteld. Van een financiële
noodsituatie is geen sprake. De voorzieningenrechter gaat er voorts van
uit dat het College, mede gelet op de ter zitting gedane toezeggingen,
het nu nog te nemen besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak
wel met de nodige voortvarendheid tot stand zal brengen. Ook anderszins
is niet gebleken van een voor betrokkene zo zwaarwegend belang dat een
behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.
Uit het voorgaande volgt dat heb verzoek van betrokkene om een
voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.
De voorzieningenrechter ziet ten slotte aanleiding het College te
veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling
van het verzoek van het College heeft gemaakt. Deze kosten worden
begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Wijst de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht af;
Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag
van € 644,--, te betalen door de gemeente Ede.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 25 april 2006.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) M. Pijper.
|
|