|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/3018 WWB
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 april 2005, 05/826
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats]
(hierna: College).
Datum uitspraak: 2 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft G. Szakály, werkzaam bij de Stichting Juridische
EHBO te [woonplaats], hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2006. Voor
appellant is daar verschenen G. Szakály. Het College heeft zich daar
laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de
gemeente [woonplaats].
II. OVERWEGINGEN
Met betrekking tot de feiten wordt het volgende overwogen.
Appellant was bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande.
Teneinde de arbeidsinschakeling van appellant te bewerkstelligen heeft
de afdeling Sociale Zaken van de gemeente [woonplaats] in overleg met
appellant een zogeheten werkpolis opgesteld. Het College heeft appellant
de polis bij brief van 19 oktober 2004 ter ondertekening toegezonden. De
voor appellant ingevolge artikel 9 van de Wet werk en bijstand (Wwb)
geldende arbeidsverplichtingen zijn in de werkpolis afgestemd op zijn
persoonlijke situatie. De afstemming houdt in dat, aangezien appellant
had aangegeven zelfstandig te willen solliciteren, hij nog tot 18
november 2004 de tijd zou krijgen om op eigen kracht werk te vinden.
Wanneer dat op die datum niet gelukt mocht zijn, zou hij door Alexander
Calder worden uitgenodigd voor een motivatietraining gericht op het zo
snel mogelijk vinden van regulier werk voor ongeveer 38 uur per week.
Het College heeft op 28 oktober 2004 aan appellant toegezonden een
besluit tot voortzetting van de bijstandsuitkering van appellant.
Appellant heeft de werkpolis voor akkoord ondertekend en op 25 oktober
2004 aan het College geretourneerd. Daarbij heeft hij een voorbehoud
gemaakt met betrekking tot het aantal uren per week dat hij zou moeten
gaan werken. Voorts heeft hij te kennen gegeven dat hij de in de polis
gegeven schets van zijn situatie stigmatiserend vindt.
Namens appellant is bij brief van 16 maart 2005 beroep ingesteld tegen
het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen de
werkpolis.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep
niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de in de
brief van 19 oktober 2004 opgenomen werkpolis niet kan worden aangemerkt
als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), zodat daartegen noch bezwaar kan worden gemaakt,
noch beroep kan worden ingesteld. Deze polis is naar haar oordeel niet
op zelfstandig rechtsgevolg gericht aangezien de daarin opgenomen
verplichtingen hun grondslag rechtstreeks vinden in de Wwb.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Aangevoerd is
dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door zich
te begeven in de vraag of de werkpolis als een besluit als bedoeld in
artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt. Aan de rechtbank is alleen
de vraag voorgelegd of het College tijdig op het bezwaar van appellant
van 25 oktober 2004 heeft beslist. Appellant stelt zich op het standpunt
dat de kanttekeningen die hij op 25 oktober 2004 bij de ondertekening
van de polis heeft geplaatst moeten worden aangemerkt als het maken van
bezwaar tegen die polis nu aan alle vereisten voor het maken van bezwaar
is voldaan. Tenslotte is door appellant aangevoerd dat de werkpolis als
een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb moet worden beschouwd
nu hij de daarin neergelegde verplichtingen voor akkoord moet
ondertekenen. Weigert hij te ondertekenen dan wacht hem een sanctie.
Houdt hij zich niet aan de verplichtingen dan wacht hem eenzelfde lot.
Het College stelt zich op het standpunt dat de werkpolis niet als een
besluit, als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, kan worden aangemerkt nu
deze niet op zelfstandig rechtsgevolg is gericht. De daarin opgenomen
verplichtingen vloeien rechtstreeks voort uit de Wwb. Voorts is
aangevoerd dat geen sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit
op bezwaar nu het plaatsen van opmerkingen op de werkpolis, niet kan
worden aangemerkt als het maken van bezwaar tegen een besluit.
De Raad overweegt het volgende.
Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder besluit wordt
verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende
een publiekrechtelijke rechtshandeling. Blijkens artikel 6:2 van de Awb,
voor zover hier van belang, wordt voor de toepassing van wettelijke
voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een
besluit met een besluit gelijk gesteld.
Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende
tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Op grond van
artikel 7:1 van de Awb, dient, behoudens hier niet aan de orde zijnde
uitzonderingen, degene aan wie het recht is toegekend om beroep in te
stellen, eerst bezwaar te maken. Tegen de beslissing op het bezwaar kan
vervolgens beroep worden ingesteld.
Artikel 1:5, eerste lid, van de Awb verstaat onder het maken van
bezwaar: het gebruik maken van de (…) bevoegdheid om tegen een besluit
voorziening te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit genomen
heeft. Volgens artikel 6:4, eerste lid, van de Awb geschiedt het maken
van bezwaar door het indienen van een bezwaarschrift bij het
bestuursorgaan dat het besluit genomen heeft. Ingevolge artikel 6:5,
eerste lid, wordt het bezwaarschrift ondertekend en bevat het ten minste
de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving
van het besluit waartegen het gericht is en de gronden van het bezwaar.
Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen
van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Indien het bezwaar of
beroep gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is het
volgens artikel 6:12, eerste lid, van de Awb niet aan een termijn
gebonden. Op grond van artikel 6:10 van de Awb blijft
niet-ontvankelijkverklaring van een voor de termijn ingediend
bezwaarschrift op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde
van de indiening wel reeds tot stand gekomen was, of nog niet tot stand
gekomen was maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds
het geval was.
De Raad is op grond van de tekst van de brief van het College van 19
oktober 2004 alsmede die van het besluit van 28 oktober 2004, bezien in
het licht van de daarop ter zitting van de Raad door de gemachtigde van
het College gegeven toelichting, van oordeel dat de ondertekende
werkpolis geacht moet worden integraal deel uit te maken van het besluit
van 28 oktober 2004. Eerst tegen dat besluit stond derhalve het
rechtsmiddel van bezwaar open, ook voorzover daarin is beslist over de
reďntegratie van appellant.
Hierin ligt besloten dat op 25 oktober 2004 niet de mogelijkheid open
stond om separaat bezwaar te maken tegen de werkpolis van 19 oktober
2004. De Raad voegt daaraan nog toe dat op 25 oktober 2004 evenmin op
grond van artikel 6:10 van de Awb bezwaar kon worden gemaakt tegen het
besluit van 28 oktober 2004 omdat dit besluit toen nog niet genomen was
en appellant evenmin redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het
geval was. De Raad overweegt in dit verband dat met de beslissing van
het College over de aan de bijstand te verlenen voorwaarden, gelet op de
onderscheiden beoordelingsmaatstaven, niet geacht kan worden tevens te
zijn beslist over de toekenning of voortzetting van het recht op
bijstand zelf.
De Raad is verder van oordeel dat het door appellant bij de
ondertekening van de werkpolis op datzelfde blad vermelde voorbehoud
niet kan worden aangemerkt als het maken van bezwaar. Weliswaar blijkt
daaruit dat appellant zich niet geheel met de inhoud van de polis kon
verenigen, maar gegeven het feit dat appellant door middel van de
ondertekening van die polis te kennen heeft gegeven bereid te zijn aan
de uitvoering ervan mee te werken, kan aan dat voorbehoud in het
onderhavige geval niet de betekenis worden gehecht dat appellant daarmee
beoogd heeft bezwaar te maken als bedoeld in artikel 7:1 van de Awb.
Hieruit volgt dat ten tijde van het instellen van het beroep bij de
rechtbank geen sprake was van het niet tijdig nemen van een besluit op
een gemaakt bezwaar. Dit betekent dat de rechtbank het bij haar
aanhangig gemaakte beroep op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de
Awb ter behandeling als bezwaarschrift tegen het besluit van 28 oktober
2004 had moeten doorzenden naar het College.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak wegens strijd
met de wet dient te worden vernietigd.
Aangezien eerst op 16 maart 2005 beroep is ingesteld bij de rechtbank
acht de Raad termen aanwezig om zelf in de zaak te voorzien. Hij zal het
op 16 maart 2005 gemaakte bezwaar van appellant tegen het besluit van 28
oktober 2004 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaren.
De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat niet is gebleken van
feiten en omstandigheden op grond van waarvan moet worden geoordeeld dat
appellant bij het maken van zijn bezwaar niet in verzuim is geweest als
bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.M.A. van
der Kolk-Severijns en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar
op 2 mei 2006.
(get.) R.M. van Male.
(get.) L. Jörg.
|
|