|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/4214 WWB en 05/4217 WWB
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante) en [appellant] (hierna: appellant),
beiden wonende te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 mei 2005, 04/2174 en
04/2175 (hierna: aangevallen uitspraak),
in de gedingen tussen:
appellanten
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen
(hierna: College).
Datum uitspraak: 2 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. C.J.P. Liefting, advocaat te Amstelveen,
hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2006.
Appellante is niet verschenen. Appellant is verschenen, bijgestaan door
mr. G.L.D. Thomas, advocaat te Amstelveen. Het College heeft zich laten
vertegenwoordigen door J. Boomaerts, werkzaam bij de gemeente Rucphen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellante heeft van 5 augustus 2002 tot 1 november 2003 bijstand
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ontvangen naar de norm voor een
alleenstaande ouder. Bij besluit van 28 november 2003 is het recht op
bijstand met ingang van 1 november 2003 beëindigd omdat uit onderzoek
was gebleken dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met
appellant. Bij besluit van 7 januari 2004 is aan appellante met ingang
van 7 november 2003 wederom een bijstandsuitkering toegekend naar de
norm voor een alleenstaande ouder.
Naar aanleiding van ontvangen informatie dat appellanten een
gezamenlijke huishouding zouden voeren, is besloten tot het instellen
van een Bijzonder Onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante
verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek, dat is uitgevoerd
door de afdeling Fraudebestrijding van de Vakdirectie Sociale Zaken van
de gemeente Breda, zijn neergelegd in het rapport van 20 april 2004.
Naar aanleiding daarvan heeft het College bij besluit van 23 april 2004
het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 april 2004 beëindigd.
Vervolgens heeft het College bij besluit van 3 mei 2004 het recht op
bijstand van appellante over de periode van 7 november 2003 tot 1 april
2004 ingetrokken op de grond dat zij gedurende deze periode een
gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Voorts zijn de over
genoemde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van €
4.162,23 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 3 mei
2004 heeft het College de ten behoeve van appellante gemaakte kosten van
bijstand tot een bedrag van € 4.162,23 mede van appellant
teruggevorderd.
Het College heeft het bezwaar van appellante tegen de intrekking en
terugvordering en het bezwaar van appellant tegen de medeterugvordering
bij afzonderlijke besluiten van 8 september 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen het
besluit (lees: de besluiten) van 8 september 2004 gegrond verklaard,
deze besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van deze
vernietigde besluiten in stand blijven.
In hoger beroep hebben appellanten deze uitspraak gemotiveerd bestreden,
voorzover daarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in
stand zijn gelaten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het toepasselijke recht
Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2004,
LJN AT4358, volgt dat het College vanaf 1 januari 2004 aan artikel 54
van de Wet werk en bijstand (Wwb) zijn bevoegdheid ontleent om tot
intrekking van het recht op bijstand over te gaan en dat de rechten en
verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden
beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of
gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking
hebben.
Het College heeft in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 maart
2004 geen gebruik gemaakt van de in het overgangsrecht van de Wwb opgenomen mogelijkheid om al vóór 1 januari 2005 uitvoering te geven
aan Wwb-bepalingen die van onmiddelijke inwerkingtreding op 1 januari
2004 zijn uitgezonderd. Dit betekent dat de inlichtingenverplichting van
artikel 65, eerste lid, van de Abw van toepassing is gebleven gedurende
de gehele periode waarop de intrekking ziet.
De intrekking
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is van een gezamenlijke
huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel
van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins. Ingevolge artikel 3, vierde lid, onder a, van de Abw wordt
een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid van dit
artikel in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn
geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn
aangemerkt.
Niet in geschil is dat appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het
besluit van 28 november 2003. Daardoor is het besluit tot beëindiging
van het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 november 2003
wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant in
rechte onaantastbaar geworden. Aangezien daarmee vaststaat dat
appellanten eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn
aangemerkt, is voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding
sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en
appellant hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.
Vaststaat dat aan appellante per november 2003 een huurwoning is
toegewezen op het adres [adres] (gemeente Rucphen) en dat haar met ingang van 7 november 2003, toen zij zich op
dat adres had ingeschreven in het bevolkingsregister, wederom - na de beëindiging
van het recht op bijstand - recht op bijstand naar de norm voor een
alleenstaande ouder is toegekend. Eveneens staat vast dat haar bij het
toekenningsbesluit toestemming is verleend om haar adres door een derde
(lees: appellant) als postadres te laten gebruiken.
In het kader van het Bijzonder Onderzoek hebben appellanten beiden
verklaard dat appellante tot ongeveer 1 december 2003 bij appellant in
zijn woonruimte op camping “De Oliepot” in de gemeente Rucphen heeft
verbleven na een kort verblijf in het ziekenhuis in verband met een
operatieve ingreep. De stelling dat appellante tot Kerst 2003 bij
appellant op de camping zou hebben verbleven in verband met haar herstel
en dat het College haar daarvoor toestemming heeft gegeven, is niet met
bewijs onderbouwd en blijkt ook niet uit de stukken.
Uit het onderzoek is gebleken dat appellant het adres [adres] niet alleen als postadres gebruikte maar dat hij zich
daar per 1 december 2003 ook feitelijk als bewoner had ingeschreven. Ook
hebben appellanten verklaard dat appellant zijn bromfiets, die hij nodig
had voor zijn dagelijks werk als postbode, vanaf december 2003 in de
schuur bij appellantes woning aan de [straatnaam] stalde. Bovendien hebben
zij verklaard dat appellant in de weekeinden op het adres van appellante
verbleef. Hetgeen appellant verklaard heeft over de plaatsen waar hij de
overige nachten doorbracht en bij welke personen hij dan verbleef, komt
de Raad weinig geloofwaardig voor, temeer daar hij slechts de voornamen
kende van de personen bij wie hij regelmatig zou hebben overnacht en
aangezien de beweerde frequentie van zijn aanwezigheid bij hen door een
van hen tegenover de Buitengewoon Opsporingsambtenaar is tegengesproken.
Daar komt bij dat tijdens observaties in de periode van 3 maart tot en
met 24 maart 2004 veelvuldig is geconstateerd dat appellant ’s morgens
in alle vroegte vanuit de woning van appellante met zijn bromfiets naar
zijn werk vertrok. Dat hij daar kort daarvoor zou zijn gearriveerd, is
tijdens de observaties niet waargenomen en overigens op geen enkele
wijze aannemelijk gemaakt. Tenslotte is de stelling dat de meer
frequente aanwezigheid van appellant in de woning van appellante in de
tijd dat de observaties hebben plaatsgevonden veroorzaakt werd doordat
er sprake zou zijn van bedreigingen door de ex-echtgenoot van
appellante, op geen enkele wijze onderbouwd. De Raad merkt daarbij op
dat het door appellant overgelegde proces-verbaal van aangifte tegen de
ex-echtgenoot van appellante dateert van ruim een half jaar daarvoor, te
weten van 10 augustus 2003.
Op grond van de hierbovengenoemde feiten en omstandigheden is de Raad
van oordeel dat appellanten, ook nadat appellante een eigen woning had
toegewezen gekregen, gedurende de gehele periode in geding feitelijk hun
hoofdverblijf hebben gehad in dezelfde woning; tot omstreeks 1 december
2003 in de caravan van appellant en daarna in de woning van appellante
aan de [straatnaam] te [woonplaats]. Het voorgaande brengt mee dat
appellanten ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding hebben
gevoerd als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de
Abw.
Dit betekent dat appellante over de periode van 7 november 2003 tot en
met 31 maart 2004 niet als een zelfstandig subject van bijstand is aan te
merken, zodat geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande
ouder bestond. Door van de gezamenlijke huishouding in het betrokken
tijdvak geen melding te maken, heeft appellante de op haar rustende
inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de
Abw geschonden. Het College was op grond van artikel 54, derde lid,
aanhef en onder a, van de Wwb derhalve bevoegd tot intrekking van het
recht op bijstand en heeft naar het oordeel van de Raad ook in
redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kunnen maken.
De terugvordering
Met betrekking tot de terugvordering overweegt de Raad, evenals de
rechtbank, dat met het voorgaande tevens is voldaan aan de voorwaarden
voor terugvordering, zodat het College op grond van artikel 58, eerste
lid, aanhef en onder a, van de Wwb bevoegd was om de gemaakte kosten van
de ten onrechte verleende bijstand terug te vorderen. Ook naar het
oordeel van de Raad heeft het College in redelijkheid van zijn
bevoegdheid tot terugvordering gebruik kunnen maken.
De medeterugvordering
Nu gelet op het voorgaande vaststaat dat appellanten ten tijde in geding
met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en verlening van
gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven omdat appellante de
op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is voorts
gegeven dat ten aanzien van appellant wat de terugvordering betreft is
voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de Wwb. Het
College was derhalve bevoegd de ten onrechte ten behoeve van appellante
gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen. Ook
naar het oordeel van de Raad heeft het College in redelijkheid van zijn
bevoegdheid tot (mede)terugvordering gebruik kunnen maken.
Slotoverwegingen
Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep van appellanten niet
slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te
worden bevestigd.
In hetgeen overigens door appellanten is aangevoerd, ziet de Raad geen
grond om tot een ander oordeel te komen.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.M.A. van
der Kolk-Severijns en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar
op 2 mei 2006
(get.) R.M. van Male.
(get.) L. Jörg.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|