|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/336 WWB
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 december 2004,
04/593 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen
(hierna: College).
Datum uitspraak: 2 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.W.J. Schoonbrood, advocaat te Heerlen,
hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 21 maart
2006, waar appellant niet is verschenen en waar het College zich heeft
laten vertegenwoordigen door W. Savelbergh, werkzaam bij de gemeente
Heerlen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Op 27 oktober 2003 heeft appellant het College verzocht hem bijzondere
bijstand te verlenen in de kosten van reparatie van een pruik en in de
kosten van aanschaf van een pruik en een reservepruik voorzover die
kosten niet door zijn ziektekostenverzekering worden vergoed.
Bij besluit van 18 december 2003, voorzover hier van belang, heeft het
College de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van een
reservepruik afgewezen.
Bij besluit op bezwaar van 9 maart 2004, voorzover hier van belang,
heeft het College aan appellant alsnog recht op bijzondere bijstand
toegekend in de kosten van reparatie van een pruik en in de kosten van
aanschaf van een pruik, voorzover deze kosten niet door de
ziektekostenverzekering van appellant worden vergoed. Het College heeft
de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van een
reservepruik gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak, voorzover hier van belang, heeft de
rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 maart 2004, voorzover dit
betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand
in de kosten van een reservepruik, ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) is bepaald
dat, onverminderd hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht
heeft op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin
niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit de bijzondere
omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en
deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen
worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2
en 3, en de aanwezige draagkracht.
Met het College is de Raad van oordeel dat niet aannemelijk is geworden
dat ten tijde hier in geding sprake was van noodzakelijke kosten in
voornoemde zin.
De Raad neemt hierbij in aanmerking dat het College bijzondere bijstand
heeft verleend in de kosten van de reparatie van een reeds in het bezit
van appellant zijnde pruik. Blijkens de gedingstukken heeft appellant
zelf het initiatief genomen de pruik te laten herstellen en is de
reparatie op 15 april 2003 uitgevoerd door een vakman tegen betaling van
een bedrag van € 379,--. Aanknopingspunten voor de juistheid van de
stelling van appellant dat de gerepareerde pruik reeds ten tijde hier
van belang, te weten in de periode vanaf de datum van de aanvraag op 27
oktober 2003 tot de datum van het primaire besluit op 18 december 2003,
was versleten en derhalve niet kon fungeren als reservepruik, ontbreken.
Het College heeft de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van
een reservepruik dan ook terecht afgewezen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de
aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C.
van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken
in het openbaar op 2 mei 2006.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|