|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/1874 WWB en 05/7008 WWB
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
’s-Hertogenbosch van 23 februari 2005, 05/339 en 05/341 (hierna:
aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 6 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B.L. Krahmer,
werkzaam bij de gemeente Helmond. Betrokkene is in persoon verschenen,
bijgestaan door mr. W.A. Braams, advocaat te Helmond.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Op 25 mei 2004 heeft betrokkene een aanvraag om gezinsbijstand ingevolge
de Wet werk en bijstand (Wwb) ingediend. Bij besluit van 29 juli 2004
heeft appellant deze aanvraag buiten behandeling gesteld op de grond dat
betrokkene de aanvraag niet binnen de gestelde termijn met nadere
gegevens heeft aangevuld. Tevens heeft appellant de verstrekte
voorschotten tot een bedrag van € 1.050,-- van betrokkene en diens
echtgenote teruggevorderd.
Bij besluit van 11 januari 2005 heeft appellant het tegen het besluit
van 29 juli 2004 gemaakte bezwaar - met wijziging van de grondslag -
ongegrond verklaard. Daartoe heeft appellant overwogen dat betrokkene
onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de aan de aanvraag
voorafgaande periode, zodat het recht op bijstand op en na 25 mei 2004
niet kan worden vastgesteld.
Bij de aangevallen uitspraak, voorzover van belang, heeft de
voorzieningenrechter van de rechtbank het tegen het besluit van 11
januari 2005 ingestelde beroep - met bepalingen inzake griffierecht en
proceskosten - gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat
appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
Bij besluit van 18 juli 2005 heeft appellant vervolgens ter uitvoering
van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank het
bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2004 alsnog gegrond verklaard en
betrokkene met ingang van 25 mei 2004 in aanmerking gebracht voor een Wwb-uitkering naar de norm voor gehuwden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft - kort samengevat - onder
verwijzing naar de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van de
rechtbank van 3 september 2004 geoordeeld, dat betrokkene en zijn
echtgenote uiteindelijk voldoende duidelijkheid hebben verschaft omtrent
het verblijf van betrokkene in het Verenigd Koninkrijk en in voldoende
mate inzicht hebben gegeven in hun financiële positie, zodat het recht
op bijstand per 25 mei 2004 kon worden vastgesteld.
De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht geen
aanleiding om het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank
voor onjuist te houden. Aan de aan dat oordeel ten grondslag gelegde
overwegingen voegt de Raad nog het volgende toe.
Uiteraard staat het een bestuursorgaan vrij, en is hij bij twijfel zelfs
gehouden, nader onderzoek te doen naar de vraag hoe de aanvrager
voorafgaand aan de bijstandsaanvraag in zijn levensonderhoud heeft
voorzien en voorts na te gaan of de betrokkene ten tijde van de aanvraag
over middelen beschikt of kan beschikken die aan bijstandsverlening in
de weg staan en/of overigens aan de voorwaarden voor bijstandsverlening
is voldaan. Van de bijstandsaanvrager kan worden verlangd om naar
vermogen gegevens te verstrekken die nodig zijn om het recht op bijstand
te kunnen vaststellen. Evenals de rechtbank is de Raad niet gebleken dat
betrokkene in dat opzicht niet in toereikende mate medewerking heeft
verleend en niet datgene heeft gedaan wat onder de gegeven
omstandigheden in redelijkheid van hem kon worden gevergd. De Raad stelt
voorts vast dat appellant er om hem moverende redenen van heeft afgezien
de door betrokkene verstrekte gegevens te verifiëren. Dat dit niet
mogelijk was heeft appellant niet aannemelijk kunnen maken. Daarnaast
merkt de Raad nog op dat van de zijde van appellant ter zitting is
bevestigd dat er geen concrete aanwijzingen of aanknopingspunten zijn
dat betrokkene ten tijde van de aanvraag (nog) over in aanmerking te
nemen middelen beschikte die aan bijstandsverlening in de weg stonden.
In het voorgaande ligt besloten dat het hoger beroep niet slaagt en dat
de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden
bevestigd. Aangezien appellant reeds bij zijn besluit van 18 juli 2005
(ter uitvoering van de aangevallen uitspraak) met ingang van 25 mei 2004
is overgegaan tot bijstandsverlening aan betrokkene en zijn gezin naar
de gehuwdennorm en - naar de Raad aanneemt - daarmee ook reeds het
verstrekte voorschot van € 1.050,-- is verrekend, is van appellant
terzake geen nadere actie vereist.
De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten
van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,--
voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag
van € 644,--, te betalen door de gemeente Helmond aan de griffier van
de Raad;
Bepaalt dat van de gemeente Helmond een griffierecht van € 422,--
wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M.
Roelofs en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 6 juni 2006.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) P.E. Broekman.
|
|