|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/5289 WWB
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2005, WWB
05/219 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
(hierna: College).
Datum uitspraak: 23 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam,
hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2006. Namens
appellant is verschenen mr. Van Zundert. Het College heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren en mr. D. Çevik, beiden
werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontving van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
25 tot 35% en ter aanvulling hierop van het College een uitkering op
grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een
alleenstaande.
Uit een onderzoek is gebleken dat appellant over de perioden van 1
oktober 2002 tot en met 30 november 2002 en van 1 januari 2003 tot en met 30 september 2003 op de aan hem verstrekte
inkomstenformulieren niet de volledige bedragen heeft vermeld van de
door hem ontvangen uitkering ingevolge de WAO, waardoor er te weinig op
de bijstand is gekort.
Tevens is gebleken dat appellant over de periode van 6 april 2003 tot en
met 28 april 2003 ten onrechte bijstand heeft ontvangen, omdat hij toen
zonder toestemming van het College buiten Nederland verblijf hield.
Bij besluit van 3 december 2003 heeft het College het recht op bijstand
van appellant over de perioden van 1 oktober 2002 tot en met 30 november
2002 en van 1 januari 2003 tot en met 30 september 2003 herzien en de
over die perioden teveel betaalde bijstand ten bedrage van € 518,60
bruto, respectievelijk € 2.097,97 netto van appellant teruggevorderd.
Bij besluit van 9 december 2004 heeft het College het bezwaar tegen het
besluit van 3 december 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 9 december 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt vast dat ter zitting van de Raad namens appellant is
onderkend dat hij geen juiste opgave heeft gedaan van de bedragen welke
hij ten tijde hier van belang uit hoofde van zijn uitkering ingevolge de
WAO heeft ontvangen en dat hij zich kan vinden in de berekening en
verrekening van het College met betrekking tot de terugvordering van
hetgeen teveel aan bijstand is betaald.
Nu de herziening en terugvordering niet langer door appellant worden
betwist, is de Raad van oordeel dat appellant geen in rechte honoreren
belang meer heeft bij een beoordeling ten gronde van het bestreden
besluit van 9 december 2004. Omdat appellant niet om toepassing van
artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht heeft verzocht, is ook
anderszins geen procesbelang meer aanwezig.
Hetgeen namens appellant verder in hoger beroep nog naar voren is
gebracht heeft betrekking op kwesties die geen onderdeel uit maken van
het geschil in hoger beroep. De Raad laat dit dan ook verder
onbesproken.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep
niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en A.B.J.
van der Ham en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 23 mei 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.E. Broekman.
|
|