|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/5097 WWB
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juli 2005, 04/2342
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg
(hierna: College).
Datum uitspraak: 6 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D.P.F. Arens, advocaat te Tilburg, hoger
beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2006.
Appellante is, zoals vooraf bericht, niet verschenen. Het College heeft
zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de
gemeente Tilburg.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden.
Appellante heeft zich op 26 februari 2004 gemeld bij het Centrum voor
werk en inkomen (hierna: CWI) voor een aanvraag om bijstand. Op het
aanvraagformulier gaf zij als gewenste ingangsdatum aan mei of juni
2003. Bij besluit van 11 mei 2004 heeft het College aan appellante
bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) toegekend met ingang
van 26 februari 2004.
Bij besluit van 30 september 2004 heeft het College het bezwaar van
appellante tegen het besluit van 11 mei 2004 ongegrond verklaard en de
ingangsdatum op 26 februari 2004 gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 30 september 2004 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ten aanzien van het toepasselijke recht
Met ingang van 1 januari 2004 is de Wwb in werking getreden en is de
Algemene bijstandswet (Abw) ingetrokken. De hoofdregel is dat op
besluiten genomen vanaf 1 januari 2004 de Wwb van toepassing is, tenzij
in specifieke bepalingen van overgangsrecht anders is bepaald.
In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 19 december
2005 (LJN AU8989) is reeds geoordeeld dat op aanvragen om periodieke
bijstand waarbij de aanvraag plaatsvond vóór 1 januari 2004, ingevolge
artikel 5, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand
(IWwb) in afwijking van de hoofdregel met toepassing van de artikelen 67
en 68a van de Abw moet worden beslist. De Raad neemt voorts in het kader
van een redelijke wetsuitleg aan dat artikel 5, aanhef en onder a, van
de IWwb niet slechts ziet op aanvragen waarop een toekenningsbesluit
volgt, maar ook op gevallen waarin de aanvraag strekt tot toekenning van
periodieke bijstand met ingang van een vóór 1 januari 2004 gelegen
datum en die aanvraag geheel of ten dele wordt afgewezen.
Voor de goede orde merkt de Raad vervolgens nog op dat toepassing van
artikel 21, eerste lid, onder a, van de IWwb in dit geval niet aan de
orde is. Anders dan wellicht zou kunnen worden afgeleid uit de uitspraak
van 19 december 2005 is daarvoor redengevend dat artikel 5 van de IWwb
geacht moet worden te derogeren aan artikel 21, eerste lid, onder a, van
de IWwb. Dat wil zeggen dat artikel 5 van de IWwb betrekking heeft op
zowel het primaire besluit als het besluit op bezwaar.
Uit het voorgaande vloeit voort dat op aanvragen gedaan ná de
peildatum, die (tevens) een verzoek inhouden om bijstand met
terugwerkende kracht tot een datum gelegen vóór 1 januari 2004, voor
de vaststelling van de ingangsdatum met toepassing van artikel 43 en 44
van de Wwb dient te worden beslist. Volledigheidshalve voegt de Raad
hieraan nog toe dat indien de ingangsdatum met inachtneming van deze
bepalingen wordt vastgesteld op een datum gelegen vóór 1 januari 2004,
(de omvang van) het recht op bijstand vervolgens - op grond van de
rechtspraak van de Raad inzake de temporele werking van wetgeving zoals
neergelegd in zijn uitspraken van 21 april 2005 (LJN AT4358) en 6
december 2005 (LJN AU7664) - dient te worden bepaald aan de hand van de
materiële bepalingen van de Abw zoals die destijds golden.
Aangezien in dit geval de aanvraag alsook de CWI-melding zijn gedaan na
1 januari 2004 heeft het College de vraag of de ingangsdatum van de
bijstand op 26 februari 2004 dient te worden gesteld terecht beoordeeld
met toepassing van de artikelen 43 en 44 van de Wwb
Ten gronde
De Raad stelt voorop dat zijn vaste jurisprudentie inzake de toepassing
van de artikelen 67 en 68a van de Abw (zie de uitspraak van 8 maart
2005, LJN AT0209) wat betreft het vaststellen van de ingangsdatum van
een bijstandsuitkering ook onder de Wwb zijn gelding heeft behouden. Dit
betekent dat in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode
voorafgaand aan de datum waarop de melding bij het CWI heeft
plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
Vaststaat dat appellante zich op 26 februari 2004 heeft gemeld bij het
CWI voor een aanvraag om bijstand en dat zij op 23 maart 2004 een
daartoe strekkende aanvraag heeft ingediend met ingang van mei of juni
2003. Het College heeft hierop overeenkomstig de artikelen 43 en 44 van
de Wwb aan appellante met ingang van 26 februari 2004 een uitkering
ingevolge de Wwb toegekend. Van bijzondere omstandigheden die tot een
eerdere ingangsdatum zouden moeten leiden is de Raad niet gebleken. De
Raad merkt in dat verband op dat de in hoger beroep overgelegde
verklaring van haar huisarts G.W.L.M. Verhaak onvoldoende concrete
aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat zij ten tijde hier van
belang buiten staat was om zich bij het CWI te melden en zelf dan wel
met behulp van derden een aanvraag om bijstand in te dienen.
Evenmin is de Raad gebleken dat appellante als gevolg van onjuiste
informatie niet eerder een aanvraag heeft ingediend. De Raad verwijst
naar hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen, waarmee hij zich
kan verenigen.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het College op goede
gronden de ingangsdatum op 26 februari 2004 heeft gesteld.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 6 juni 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.
|
|