|
Uitspraak
meervoudige
kamer 05/1842 WWB en 05/1843 WWB
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante),
beiden wonende te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 februari 2005,
04/1043 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het dagelijks bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Noardwest Fryslân (DSZW), (hierna: het dagelijks bestuur).
Datum uitspraak: 6 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. A.L.M.E. Bijlholt, werkzaam bij Rechtshulp
Noord te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Achterveld, advocaat
te Leeuwarden. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen
door P. Snoekstra, werkzaam bij de DSZW.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellanten ontvingen tot 1 juli 2002 bijstand ingevolgde de Algemene
bijstandswet (Abw) naar de norm voor een echtpaar. Met ingang van deze
datum is het recht op bijstand beëindigd omdat appellant in dienst trad
bij de Stichting Natuurpark Noordwest Friesland (hierna: de stichting).
Dit dienstverband werd beëindigd per 30 juni 2003. Vervolgens hebben
appellanten met ingang van 1 juli 2003 wederom bijstand aangevraagd. Op
het aanvraagformulier is - voorzover hier van belang - vermeld dat
appellant bij de stichting vrijwilligerswerk verricht. Bij besluit van
31 juli 2003 heeft het dagelijks bestuur aan appellanten bijstand naar
de norm voor een echtpaar toegekend.
In het kader van een in maart 2004 gehouden heronderzoek heeft appellant
op het daartoe door de DSZW gebruikte formulier vermeld dat hij
gedurende circa 20 uur per week vrijwilligerswerk en onbetaalde arbeid
doet bij de stichting. Op de vraag wat voor soort werkzaamheden dit
betreft heeft appellant geantwoord: “klussen”. Appellant heeft
hierbij voorts aangegeven dat bij voldoende draagkracht van de stichting
kans op betaald werk bestaat.
Bij brief van 6 april 2004 is appellanten verzocht om op 13 april 2004
op het kantoor van de DSZW te verschijnen en daar over te leggen de
stichtingsakte, de doelstelling van de stichting, de boekhouding van de
stichting over het jaar 2003 en informatie te verschaffen over de
geldstromen van de stichting bijvoorbeeld door inzage in alle op naam
van de stichting staande bankrekeningen vanaf januari 2003.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellanten niet aan dit verzoek hebben
voldaan. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 20 april
2004 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet werk en
bijstand (Wwb) het recht op bijstand van appellanten met ingang van 13
april 2004 opgeschort en hen alsnog in de gelegenheid gesteld de
gevraagde gegevens uiterlijk op 28 april 2004 in te leveren. Voorts is
aangegeven dat, indien appellanten hun verzuim niet herstellen, het
recht op bijstand met ingang van 13 april 2004 zal worden ingetrokken.
Nadat het dagelijks bestuur had geconstateerd dat appellanten uiterlijk
op 28 april 2004 niet aan hun informatieverplichting hadden voldaan, is
bij besluit van 24 mei 2004 met toepassing van artikel 54, vierde lid,
van de Wwb het recht op bijstand met ingang van 13 april 2004
ingetrokken.
Appellanten hebben tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 18 augustus 2004 heeft het dagelijks bestuur deze
bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het
besluit van
18 augustus ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met betrekking tot de opschorting van het recht op bijstand
Artikel 54, eerste lid, van de Wwb bepaalt dat, indien de belanghebbende
de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de
gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt
en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende
anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, het
college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken
kan opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking
heeft, of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke
periode dit verzuim betrekking heeft.
Naar aanleiding van de uitkomsten van een heronderzoek zijn appellanten
bij brief van 6 april 2004 uitgenodigd voor een gesprek op 13 april 2004 op het
kantoor van de DSZW teneinde daar een aantal met name genoemde stukken
in te dienen. Vaststaat dat appellanten deze stukken op 13 april 2004
niet aan de DSZW hebben overhandigd.
Appellanten hebben aangevoerd dat de DSZW reeds geheel op de hoogte was
van de aard en omvang van het vrijwilligerswerk. Voorts hebben
appellanten gesteld dat niet zij over de gevraagde gegevens kunnen
beschikken, maar de stichting.
Bij de aanvraag om bijstand is weliswaar vermeld dat appellant voor de
stichting vrijwilligerswerk verricht, doch over aard en omvang van deze
activiteiten is noch bij die gelegenheid noch op enig ander moment
verdergaande informatie verstrekt. Op het heronderzoeksformulier van
maart 2004 heeft appellant vermeld dat hij voor de stichting
“klussen” verricht gedurende ongeveer 20 uur per week. Verder heeft
appellant nog vermeld dat bij voldoende draagkracht van de stichting
betaalde arbeid weer tot de mogelijkheden behoort. Van belang is hierbij
voorts dat de DSZW er mee op de hoogte was dat appellant eerder bij de
stichting in dienst was, dat hij de stichting heeft opgericht, dat de
stichting is gevestigd op zijn woonadres en dat hij de voorzitter,
appellante de secretaris en hun dochter - ten tijde hier in geding - de
penningmeester is van het bestuur van de stichting. Gelet op de
combinatie van deze gegevens is de Raad met het dagelijks bestuur van
oordeel dat de gevraagde gegevens van belang zijn voor verlening van de
bijstand, onder meer teneinde te kunnen vaststellen of er sprake is van
een financiële verstrengeling tussen appellant en de stichting.
Gelet op hetgeen hiervoor is vermeld, alsmede het gegeven dat voorzitter
en secretaris van het bestuur van de stichting gezamenlijk bevoegd zijn
en het feit dat de stichting in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd
door hetzij het bestuur hetzij de voorzitter en de secretaris
gezamenlijk, is de Raad voorts met het dagelijks bestuur en de rechtbank
van oordeel dat er sprake is van een zodanige verwevenheid tussen
appellanten en de stichting dat appellanten degenen zijn die over de
gevraagde stukken kunnen beschikken en dat derhalve zij en niet de
stichting de betreffende gegevens hadden moeten verstrekken. Het valt
appellanten dan ook te verwijten dat de gevraagde gegevens niet zijn
verstrekt.
Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat aan de voorwaarden
voor toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wwb is voldaan. De
Raad ziet geen grond om te oordelen dat het dagelijks bestuur niet in
redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van het recht op
bijstand met ingang van 13 april 2004 gebruik heeft kunnen maken.
Met betrekking tot de intrekking van het recht op bijstand
Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de Wwb doet het college mededeling
van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen de
door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54,
vierde lid, van de Abw bepaalt dat als de belanghebbende in het geval
bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor
gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het
besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de
eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Bij zijn besluit van 20 april 2004 heeft het dagelijks bestuur
appellanten in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door de
gevraagde gegevens alsnog uiterlijk op 28 april 2004 in te leveren.
Vaststaat dat appellanten niet binnen de gestelde termijn deze gegevens
hebben overgelegd.
Hiermee is gegeven dat ook aan de voorwaarden voor toepassing van
artikel 54, vierde lid, van de Wwb is voldaan. Het dagelijks bestuur was
derhalve bevoegd het besluit tot toekenning van het recht op bijstand
met ingang van 13 april 2004 in te trekken. De Raad ziet geen grond om
te oordelen dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid van zijn
bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het dagelijks bestuur bij de
afweging van de rechtstreeks bij het besluit tot intrekking betrokken
belangen terecht geen rekening heeft gehouden met het feit dat de
betreffende gegevens tijdens de bezwaarfase alsnog door appellanten zijn
overgelegd. In het kader van een heroverweging in bezwaar van een op
grond van artikel 54, vierde lid, van de Wwb genomen besluit staat
uitsluitend ter beoordeling of de betrokkene (verwijtbaar) heeft
verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn de bij het
opschortingsbesluit gevraagde informatie te verstrekken. Indien dat het
geval is, dan dient het bestuursorgaan zich in bezwaar te beraden over
de vraag op welke wijze van zijn bevoegdheid om het besluit tot
toekenning van bijstand in te trekken gebruik is gemaakt. Noch de -
discretionaire - bevoegdheid van artikel 54, vierde lid, van de Wwb,
waarbij het gaat om de beoordeling van de situatie ten tijde van het
verstrijken van de bij het opschortingsbesluit gestelde hersteltermijn,
noch het voorschrift tot heroverweging van het primaire besluit zoals
neergelegd in artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht leiden ertoe dat rekening moet worden gehouden met de na
de gestelde termijn ontvangen gegevens.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt,
zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van
Viegen en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier uitgesproken in het
openbaar op 6 juni 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) R.C. Visser.
|
|