|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/713 WWB
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 december 2004, 04/1218
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar
(hierna: College).
Datum uitspraak: 23 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.B.M. Heerink, advocaat te Nijmegen, hoger
beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2006.
Appellant is daar verschenen, bijgestaan door mr. Heerink. Het College
heeft zich daar laten vertegenwoordigen door J.C.T. Berndsen, werkzaam
bij de gemeente Zevenaar.
II. OVERWEGINGEN
Appellant heeft van 1976 tot 1993 gewoond en gewerkt in Zuid-Afrika. Hij
was daar werkzaam voor onder meer een ingenieursbureau en de
Universiteit van Stellenbosch. In 1993 is hij teruggekeerd naar
Nederland. Hem is sindsdien bijstand verleend, ten tijde in geding op
grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een gezin.
Appellant heeft met behoud van uitkering en met steun van de gemeente
Zevenaar verschillende opleidingen gevolgd om zijn kansen op de
arbeidsmarkt te vergroten. Omdat hij er desalniettemin niet in slaagde
om in loondienst aan de slag te komen, heeft hij het plan opgevat om als
zelfstandig ondernemer aan de slag te gaan. Hij wil een bedrijf beginnen
dat zich bezighoudt met de ontwikkeling, productie en verkoop van
geavanceerde brugversterkers en synthesizers.
Appellant heeft in het kader van de voorbereiding op 8 september 2003
bijstand [bijzondere bijstand, red.] aangevraagd voor de kosten
van twee modelstudies (€ 9.341,50), alsmede voor de kosten van zijn
begeleiding in de opstartfase.
Het College heeft de aanvraag van appellant opgevat als een verzoek om
toegelaten te worden tot de in artikel 8, zesde lid, van de Abw bedoelde
voorbereidingsfase en IMK Intermediair Begeleiding te Diemen (hierna:
IMK) gevraagd een kwalificerende intake uit te voeren, met name om te
beoordelen of de bedrijfsidee van appellant kans van slagen heeft.
Gevolg gevende aan die opdracht heeft het IMK bij rapport van 16
december 2003 negatief geadviseerd omtrent de toelating van appellant
tot de voorbereidingsfase van het zelfstandig ondernemerschap. Voorts is
geadviseerd hem geen begeleidingshulp aan te bieden. Het advies berust
op twijfel over het realiteitsgehalte van de bedrijfsidee vanwege de
hoge kapitaalsbehoefte en het internationale karakter van de markt. Voor
een eenmanszaak is het dan zeer moeilijk om het plan te onderbouwen en
om daadwerkelijk te starten. Appellant wordt beoordeeld als goed
gemotiveerd en vakbekwaam. Zijn visie dient evenwel nog ontwikkeld te
worden evenals zijn kennis van de bedrijfsvoering. Appellant wordt niet
zozeer als ondernemer gezien, maar veeleer als praktisch wetenschapper.
Voorts dient nog een modelstudie verricht te worden die een zinvolle
prestartfase belemmert. Voor de financiering van die studie dient hij
een beroep te doen op wetenschappelijke budgetten, subsidies of het
bedrijfsleven. Het bedrijfsplan in de vorm van een startende eenmanszaak
biedt onvoldoende kans van slagen volgens het IMK.
Het College heeft de aanvraag van 8 september 2003 onder overneming van
het IMK-advies bij besluit van 26 januari 2004 afgewezen.
Het bezwaar van appellant tegen dat besluit heeft het College bij
besluit van 28 april 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 28
april 2004 ongegrond verklaard. Het College heeft zich naar haar
oordeel, gelet op de inhoud van het IMK-rapport, dat zij als voldoende
zorgvuldig heeft aangemerkt, in redelijkheid op het standpunt kunnen
stellen dat appellant niet in aanmerking komt voor toelating tot de in
artikel 8, zesde lid, van de Abw bedoelde prestartfase. Het door
appellant ingebrachte rapport van 15 juni 2004, opgesteld door De
Uitkomst VOF te Amsterdam, heeft de rechtbank niet tot een ander
oordeel geleid nu in dit rapport slechts wordt ingegaan op de
bekwaamheden van appellant en daaruit niet blijkt in hoeverre het
bedrijfsplan, gelet op de hoge kapitaalsbehoefte en het internationale
karakter, daadwerkelijk haalbaar is.
Appellant is tegen die uitspraak in hoger beroep gekomen. Aangevoerd is
dat het College zich niet op het IMK-advies had mogen verlaten omdat in
het geheel nog geen sprake is van een bedrijfsplan. Het gaat slechts om
de bekostiging van een modelstudie ter voorbereiding op het starten als
zelfstandig ondernemer. Pas na voltooiing van die studie zou appellant
in het stadium van een bedrijfsplan komen. In het IMK-advies wordt
uitgegaan van aannames die ten nadele van appellant strekken, zonder dat
duidelijk wordt op grond van welke gegevens het advies tot stand is
gekomen. Er is nog geen bedrijfsplan ontwikkeld waaruit afgeleid kan
worden dat er een hoge kapitaalsbehoefte is, dat zijn activiteiten een
internationaal karakter zouden krijgen en dat hij tekort zou schieten
ten aanzien van visie en bedrijfsvoering.
Het College heeft gepersisteerd bij zijn in het besluit van 28 april
2004 neergelegde standpunt.
De Raad overweegt het volgende.
Artikel 8, zesde lid, van de Abw bepaalde ten tijde van belang, dat
bijstandsverlening aan een persoon die algemene bijstand ontvangt, die
voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en die zich
in verband hiermee niet beschikbaar stelt voor arbeid in
dienstbetrekking, gedurende een voorbereidingsperiode van ten hoogste
twaalf maanden kan worden voortgezet. In een zodanig geval is artikel
113, eerste lid, onder a, b, c, d, en f, van de Abw niet van toepassing,
is de belanghebbende verplicht zich te onderwerpen aan begeleiding door
een door het College aangewezen derde en kan tot een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur vast te stellen maximumbedrag bijstand
worden verleend ter voorziening in met de voorbereiding van het
zelfstandig ondernemerschap samenhangende kosten.
Blijkens artikel 11a van deze algemene maatregel van bestuur, het
Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz), is het maximumbedrag ter
voorziening in de met de voorbereiding samenhangende kosten waarvoor
bijstand kan worden verleend, voor het jaar 2003 vastgesteld op €
2.469,--.
Blijkens de geschiedenis van totstandkoming van artikel 8, zesde lid,
van de Abw (TK 1998/1999, 26 498, nr. 3) maakt deze bepaling het
mogelijk dat de bijstandsgerechtigde zich gedurende maximaal twaalf
maanden, onder ontheffing van de sollicitatieplicht, voorbereidt op het
zelfstandig ondernemerschap. Begeleiding gedurende de
voorbereidingsprocedure is noodzakelijk, waarbij de belanghebbende
verplicht is aan die begeleiding mee te werken. In de
voorbereidingsperiode kan de betrokkene cursussen volgen, zo nodig
marktonderzoek verrichten en eventueel kleine investeringen doen.
Begeleiding en selectie vooraf waarborgen dat alleen kansrijke
kandidaten voor een voorbereidingsperiode in aanmerking komen.
De Raad is, mede gelet op deze totstandkomingsgeschiedenis, van oordeel
dat slechts die bijstandsgerechtigden tot de voorbereidingsfase kunnen
worden toegelaten waarvan aannemelijk is dat, met de nodige begeleiding
en eventueel financiële ondersteuning als bedoeld in artikel 11a van
het Bbz, een kansrijke start als zelfstandig ondernemer in het verschiet
ligt. Mede gelet op de maximale duur van de voorbereidingsfase
veronderstelt dit dat de bedrijfsidee ten tijde van de aanvang van die
fase zodanig concreet is dat met de voorbereiding van de realisering van
dat idee daadwerkelijk kan worden aangevangen.
In aanmerking genomen het IMK-advies, alsmede het door appellant in
geding gebrachte rapport van De Uitkomst VOF van 15 juni 2004, is de
Raad van oordeel dat het moment waarop de voorbereiding van het
zelfstandig ondernemerschap kon aanvangen, voor appellant ten tijde van
de aanvraag nog niet was aangebroken. Uit beide rapporten blijkt immers,
zoals appellant in hoger beroep ook zelf heeft erkend, dat nog
modelstudies moesten worden verricht en dat de uitkomst daarvan bepalend
was voor het opstellen van een bedrijfsplan. Dit betekent dat de
bedrijfsidee van appellant ten tijde van de aanvraag onvoldoende
concreet was om te kunnen worden toegelaten tot de in artikel 8, zesde
lid, van de Abw bedoelde voorbereidingsperiode en dat voor verlening van
bijstand in de hier aan de orde zijnde kosten geen plaats is.
Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en R.M.
van Male en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 23 mei 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.C. Visser.
|
|