|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/145 WWB-E
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 december 2004,
04/1249 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
’s-Gravenhage (hierna: College).
Datum uitspraak: 4 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft A.M.C.A. van Stein, maatschappelijk werkster te
’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep
zijn ingediend door mr. M.J. van Basten Batenburg, advocaat te
’s-Gravenhage.
Het College heeft desgevraagd nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 05/35 WWB, behandeld
ter zitting van 10 januari 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan
door mr. Van Basten Batenburg. Het College heeft zich, met voorafgaand
bericht, niet laten vertegenwoordigen.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer
gesplitst.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet naar
de norm voor een alleenstaande. Onder meer door middel van het
inlichtingenformulier over oktober 2000 en een op 31 januari 2001
gedateerd registratieformulier heeft appellant het College op de hoogte
gesteld van zijn verhuizing van [adres 1] te ’s-Gravenhage naar de
[adres 2] te ’s-Gravenhage. [Adres 2] is het adres van
watersportvereniging ‘De Vlietstrook’, waar appellant zijn intrek
had genomen in een klein kajuitbootje.
Nadat appellant een naar zijn oude adres gezonden inlichtingenformulier
niet had ingeleverd, heeft het College het recht op bijstand bij besluit
van 1 maart 2001 per 1 februari 2001 opgeschort en vervolgens bij
besluit van 15 maart 2001 per 1 februari 2001 ingetrokken. Ook deze
besluiten zijn - uitsluitend - gezonden naar [adres 1].
Op 12 september 2002 is namens appellant opnieuw bijstand aangevraagd.
Bij besluit van 15 oktober 2002 heeft het College aan appellant met
ingang van 12 september 2002 bijstand toegekend naar de norm voor een
alleenstaande, onder toepassing van een verlaging van 18% in verband met
het feit dat appellant geen woning bewoonde waaraan woonlasten zijn
verbonden.
Nadat aan appellant een woning was toegewezen, is deze verlaging bij
besluit van 26 november 2002 met ingang van 1 november 2002 komen te
vervallen. In bezwaar tegen het besluit van 26 november 2002 heeft
appellant zich onder andere op het standpunt gesteld dat hij vanaf 1
februari 2001 voor bijstand in aanmerking dient te komen. Bij besluit
van 28 maart 2003 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 26
november 2002 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer verwezen naar
(de) besluiten van 1 maart 2001 en 15 maart 2001.
Vervolgens is namens appellant op 9 april 2003 bezwaar gemaakt tegen het
besluit van 15 maart 2001. Daarbij is verzocht om toezending van een
kopie van dat besluit. Het College heeft vervolgens een afschrift van
het besluit aan A.M.C.A. van Stein gezonden.
Bij besluit van 27 januari 2004 heeft het College het bezwaar tegen het
besluit van 15 maart 2001 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet
verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Het College heeft
zich daarbij op het standpunt gesteld dat er indertijd verwarring was
ontstaan rond het [adres 2], omdat het geen officieel woonadres betrof
en appellant zich daar niet kon laten inschrijven. De gevolgen daarvan
voor de postbezorging dienen volgens het College voor risico van
appellant te komen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 27 januari 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft
daartoe overwogen dat appellant in ieder geval op 12 september 2002 op
de hoogte moet zijn geweest van (de strekking van) het besluit van 15
maart 2001. De bezwaartermijn is naar haar oordeel derhalve aangevangen
op 13 september 2002, zodat deze op 9 april 2003 al geruime tijd was
verstreken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de
termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb) vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die
waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking
van een besluit door toezending of uitreiking aan de belanghebbende tot
wie het is gericht.
De Raad stelt vast dat het besluit van 15 maart 2001 - uitsluitend - is
gezonden naar een adres waarvan bij het College bekend was dat appellant
daar niet meer woonde. Appellant had dit immers enkele malen aan het
College bericht. Bovendien blijkt uit de gedingstukken dat de naar dat
adres verstuurde voor appellant bestemde post vanaf 9 februari 2001 aan
het College is teruggestuurd met de mededeling dat de geadresseerde was
verhuisd. Het besluit is ook niet aan appellant uitgereikt op het adres
waarvan bij het College bekend was dat appellant daar feitelijk
verbleef. Het besluit van 15 maart 2001 is derhalve niet op de
voorgeschreven wijze bekendgemaakt, zodat de bezwaartermijn niet op 16
maart 2001 is aangevangen.
Volgens vaste rechtspraak kan de bezwaartermijn nadien alsnog aanvangen
op de dag na die waarop degene tot wie het besluit is gericht (dan wel,
indien van toepassing, diens gemachtigde) van dat besluit kennis heeft
gekregen, dat wil zeggen: in het bezit is gesteld van dat besluit of een
afschrift daarvan. Daarvan is op 12 september 2002 geen sprake geweest.
De Raad onderschrijft daarom niet het oordeel van de rechtbank dat de
bezwaartermijn op 13 september 2002 is aangevangen. De enkele verwijzing
naar het besluit van 15 maart 2001 in het besluit van 28 maart 2003 kan
naar het oordeel van de Raad evenmin als bekendmaking van het besluit
van 15 maart 2001 worden aangemerkt, zodat de bezwaartermijn ook niet is
aangevangen op de dag na de verzending (op 1 april 2003) van het besluit
van 28 maart 2003. De bezwaartermijn is daarentegen eerst aangevangen na
de toezending van een afschrift van het besluit van 15 maart 2001 aan
A.M.C.A. van Stein.
Hieruit volgt dat de bezwaartermijn is aangevangen na de indiening van
het bezwaarschrift op 9 april 2003. Ten aanzien van een dergelijk -
prematuur - bezwaar blijft ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en
onder a, van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan
achterwege, indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot
stand was gekomen. Die situatie doet zich hier onmiskenbaar voor.
Het voorgaande betekent dat het College het bezwaar ten onrechte
niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden vernietigd. Doende
hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond
verklaren en het besluit van 27 januari 2004 vernietigen.
De Raad beschikt, ook na de ontvangst van de nadere stukken van het
College, over onvoldoende feitelijke gegevens om zelf in de zaak te
kunnen voorzien. De Raad zal daarom het College opdragen een nieuw -
ditmaal: inhoudelijk - besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit
van 15 maart 2001.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de
proceskosten van appellant, begroot op € 644,-- in beroep en op €
644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 27 januari 2004;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag
van € 1.288,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;
Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant het betaalde
griffierecht van in totaal € 133,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van
Male en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, uitgesproken in het openbaar
op 4 juli 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|