|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/4077 WWB
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 mei 2005, 04/1366
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen
(hierna: College).
Datum uitspraak: 15 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.G.M.M. van Montfort, advocaat te Heerlen,
hoger beroep ingesteld en vervolgens nadere stukken ingediend.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2006.
Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.A. Franssen
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante tegen het besluit op bezwaar van het College van 29 juli 2004
inzake de voor appellante geldende verplichtingen, gericht op de
inschakeling in de arbeid (hierna: arbeidsverplichtingen), ongegrond
verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Appellante bestrijdt met name het oordeel van de rechtbank dat het
College zich bij zijn besluitvorming heeft mogen baseren op het advies
van de GGD Oostelijk Zuid-Limburg (hierna: GGD) van 14 juli 2004.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Gelet op artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit tot
inwerkingtreding Wet werk en bijstand en Invoeringswet Wet werk en
bijstand (Stb. 2003, 386) in combinatie met het gegeven dat de in
artikel 2, eerste lid, van de Invoeringsregeling Wwb (Stcrt. 2003, 203)
bedoelde verordeningen ten tijde hier van belang nog niet tot stand
waren gekomen, stelt de Raad vast dat in de gemeente Heerlen ten tijde
in geding onder meer de artikelen 107 en 113 van de Abw nog van kracht
waren.
Ingevolge artikel 107, eerste lid, van de Abw zijn burgemeester en
wethouders bevoegd de verplichtingen in hoofdstuk VIII van de Abw, en in
het bijzonder de arbeidsverplichtingen neergelegd in artikel 113 van de
Abw, niet op te leggen dan wel daarvan tijdelijk ontheffing te verlenen
in de gevallen waarin daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat om
redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de
aard en het doel van de bijstand.
Uit het GGD-advies blijkt dat de GGD-arts H.J.G. ter Waarbeek eigen
onderzoek heeft verricht en informatie bij de huisarts van appellante
heeft ingewonnen. Op basis daarvan is de GGD-arts tot de conclusie
gekomen dat appellante diverse beperkingen heeft en als gevolg daarvan
beperkt arbeidsgeschikt is. Voorts acht hij begeleiding naar de
arbeidsmarkt noodzakelijk en adviseert hij appellante te laten starten
met werkzaamheden voor halve dagen.
Anders dan namens appellante is aangevoerd, is de Raad van oordeel dat
niet kan worden gezegd dat het College, bezien vanuit het oogpunt van
zorgvuldigheid, zijn besluitvorming niet op het GGD-advies van 14 juli
2004 heeft mogen baseren. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie
bijvoorbeeld zijn uitspraak van 12 december 1994, gepubliceerd in JB
1995/25), is hij van oordeel dat indien voor het vaststellen van feiten
mede gebruik moet worden gemaakt van deskundigheid waarover het
bestuursorgaan niet zelf beschikt, gebruik kan worden gemaakt van
advisering door daartoe door het bestuursorgaan in te schakelen
deskundige adviseurs. Het ligt dan echter op de weg van het
bestuursorgaan dat van zodanige adviezen gebruikt maakt, zich ervan te
vergewissen dat die adviezen voldoen aan de eisen die uit een oogpunt
van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld. Om
die reden kan van een deugdelijke advisering die het bestuursorgaan de
mogelijkheid biedt daarop af te gaan slechts sprake zijn, indien uit die
adviezen ten minste blijkt op basis van welke gegevens deze tot stand
zijn gebracht en welke procedure bij het tot stand brengen van die
adviezen is gevolgd.
Naar het oordeel van de Raad voldoet het GGD-advies van 14 juli 2004 aan
de in de hiervoor aangehaalde uitspraak geformuleerde eisen van
zorgvuldigheid. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het advies is
gebaseerd op eigen onderzoek door de GGD-arts en informatie van de
behandelende sector en dat in het advies is samengevat welke informatie
de huisarts heeft verstrekt. Voorts is niet gebleken dat het advies
onjuist is.
De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de GGD-arts met de klachten van
appellante rekening heeft gehouden. De door appellante in hoger beroep
overgelegde medische gegevens leiden niet tot een ander oordeel. De Raad
heeft voorts geen aanleiding gezien voor nader medisch onderzoek.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat
de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en H.J. de
Mooij en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 15 augustus 2006.
(get.) C. van Viegen.
(get.) P.E. Broekman.
|
|