|
Uitspraak
03/2795 WAO en 03/2796 ZW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. M.F.E. Sprenkels, advocaat te Weert, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen een op 9 april 2003 door de rechtbank Roermond (reg.nrs. 02/906
WAO en 02/907 ZW) gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 19 januari 2005,
waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Sprenkels,
voornoemd, en waar namens gedaagde - daartoe ambtshalve opgeroepen - is
verschenen W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant was werkzaam als monteur van meubelen, toen hij zich op 18 mei
2000 ziek meldde met rugklachten. Na het bereiken van de voorgeschreven
wachttijd van 52 weken kende gedaagde appellant bij besluit van 26 maart
2001 met ingang van 17 mei 2001 een uitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tegen dit besluit heeft appellant
geen rechtsmiddelen aangewend. Hij meldde zich vervolgens op 6 juni 2001
ziek. Op dat moment ontving hij naast zijn WAO-uitkering een uitkering
krachtens de Werkloosheidswet.
Verzekeringsarts J.J.P.A. Smijers heeft appellant op zijn spreekuur van
5 juli 2001 onderzocht. Appellant heeft op dat moment gevraagd om
heroverweging van de arbeidsbeperkingen, die ten grondslag hebben
gelegen aan de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%.
Na ontvangst van het van de RIAGG afkomstige spreekuurverslag van 22
januari 2001 heeft Smijers in zijn rapport van 23 juli 2001 vermeld dat
de inhoud van het betreffende spreekuurverslag geen aanleiding gaf om de
eerder op 12 februari 2001 opgemaakte scorelijst te wijzigen en dat er
evenmin aanleiding bestond om aan te nemen dat de belastbaarheid op de
datum van de ziekmelding anders was dan op de ingangsdatum van de
WAO-uitkering.
Bij besluit van 25 juli 2001 heeft gedaagde geweigerd om terug te komen
van de beslissing van 26 maart 2001, omdat er geen sprake zou zijn van
nieuwe feiten en omstandigheden. Tevens heeft gedaagde bij dat besluit
geweigerd de WAO-uitkering te verhogen, omdat de arbeidsongeschiktheid
per 6 juni 2001 niet zou zijn toegenomen.
Overigens had gedaagde bij besluit van 22 juni 2001 geweigerd ziekengeld
per 6 juni 2001 toe te kennen, omdat het om een ziekmelding binnen vier
weken na het bereiken van de wachttijd van 52 weken handelde. Het
bezwaar van appellant heeft gedaagde bij besluit van 13 juli 2001
ongegrond verklaard. Tegen laatstgenoemd besluit heeft appellant geen
rechtsmiddelen aangewend.
In de bezwaarfase heeft appellant een verklaring overlegd van zijn
fysiotherapeut H.W. Bouhuisen van 14 november 2001 en van de aan het
Expertise Centrum Oorlogs- en geweldgetroffen verbonden arts Th.J.G.
Dekkers van 15 november 2001.
Op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen heeft de behandelend
psychiater M. Woltring bij brief van 18 december 2001 een aantal vragen
beantwoord. Tjen heeft vervolgens blijkens zijn rapport van 12 maart
2002 aangenomen dat de informatie van de RIAGG, van Dekkers en van
Woltring wel als nieuwe feiten beschouwd kunnen worden en daarin tevens
aanleiding gezien appellant op een viertal onderdelen van aspect 28
beperkt te achten. Volgens Tjen is appellant aangewezen op eenvoudige,
gestructureerde werkzaamheden onder enige supervisie met een
enkelvoudige taakstelling. Tjen heeft voorts overwogen dat de
vastgestelde beperkingen al bestonden bij aanvang van de verzekerde
arbeid.
De bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten heeft in overleg met Tjen
vastgesteld dat van de functies die aan de schatting per 17 mei 2001 ten
grondslag liggen de functies ‘stikster’ en ‘printmonteur’ nog
steeds geschikt waren en dat daarnaast de functies ‘medewerker
aanvoerservice bloemen’ en ‘schoonmaker schoonmaakbedrijf’
eveneens geschikt zijn te achten. Het mediaanloon van de drie
hoogstverlonende functies, afgezet tegen het maatmaninkomen levert
volgens Kursten geen verlies aan verdienvermogen op. Kursten heeft
daarbij als maatmaninkomen het minimumloon genomen, omdat appellant voor
het laatst verrichte werk bij aanvang ongeschikt was, dit werk derhalve
niet als maatgevende arbeid is aan te merken, het daarmee verdiende loon
niet als maatgevend loon kan worden aangemerkt en er niet kan worden
aangesloten bij een andere functie in loondienst.
Tjen heeft in een rapport van 28 mei 2002 gereageerd op een tweetal
nadere stukken van Dekkers.
Bij besluit van 12 juli 2002 (bestreden besluit 1) heeft gedaagde het
bezwaar ongegrond verklaard, waarbij is overwogen dat er wel nieuwe
feiten zijn en dat deze nieuwe feiten aanleiding hebben gegeven tot een
nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek. Uit dit onderzoek is
geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd
niet te laag is vastgesteld. Gedaagde is van mening dat de mate van
arbeidsongeschiktheid per 6 juni 2001 evenmin te laag is vastgesteld,
gelet op het feit dat de belastbaarheid per 6 juni 2001 niet wezenlijk
verschilt van de belastbaarheid per 17 mei 2001.
Appellant heeft zich op 6 november 2001 opnieuw ziek gemeld.
Verzekeringsarts Smijers heeft hem op zijn spreekuur van 18 januari 2002 onderzocht en met ingang van 28 januari 2002 hersteld
verklaard. Overeenkomstig deze hersteldverklaring heeft gedaagde bij
besluit van 18 januari 2002 beslist dat appellant met ingang van 28
januari 2002 geen recht heeft op ziekengeld. Het bezwaar tegen deze
beslissing heeft gedaagde bij besluit van 16 juli 2002 (bestreden
besluit 2) ongegrond verklaard.
Gedaagde heeft bij besluit van 3 december 2002 geweigerd appellant in
aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Aan dit
besluit ligt een rapport van Smijers van 22 november 2002 ten grondslag.
Blijkens dit rapport heeft Smijers doorslaggevende betekenis toegekend
aan het feit dat appellant op 16 september 1998 als montagemedewerker is
gaan werken, dit werk op zijn 17e verjaardag verrichtte en zijn klachten
niet hebben verhinderd dat hij dit werk tot 18 mei 2000 is blijven
verrichten.
De rechtbank heeft beide beroepen ongegrond verklaard.
In hoger beroep is aangevoerd dat de rechtbank door het overnemen van de
bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen volledig voorbij is
gegaan aan de bevindingen en conclusies van Woltring en Dekkers. Namens
appellant is naar voren gebracht dat Woltring en Dekkers ernstige
psychische stoornissen en afwijkingen bij appellant hebben
geconstateerd, waardoor hij op 17 mei 2001 en 6 juni 2001 niet in staat
was zijn eigen werkzaamheden c.q. de geselecteerde functies te
verrichten. Deze bevindingen zijn volgens appellant niet door de
verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts weerlegd.
De Raad overweegt als volgt.
Ten aanzien van bestreden besluit 1
Allereerst zal de Raad een oordeel geven over de situatie per 6 juni
2001.
Zoals uit het hiervoor weergegeven relaas blijkt, heeft de
bezwaarverzekeringsarts Tjen naar aanleiding van de informatie van
Woltring en Dekkers het belastbaarheidsprofiel aangepast. Niet juist is
dan ook de stelling dat de bezwaarverzekeringsarts en in navolging
daarvan de rechtbank, volledig voorbij is gegaan aan de bevindingen en
conclusies van Woltring en Dekkers. De Raad is van oordeel dat Tjen in
zijn rapporten van 12 maart 2002 en 28 mei 2002 uitvoerig en gedegen
heeft gemotiveerd waarom hij in de rapporten van Woltring en Dekkers
geen aanleiding heeft gezien tot een verdere aanpassing van het
belastbaarheidsprofiel dan hij heeft gedaan. In zo’n situatie is er
geen sprake van twijfel aan de medische grondslag van een besluit en
heeft de rechtbank op goede gronden kunnen besluiten geen deskundige in
te schakelen. De Raad ziet eveneens geen aanleiding voor het inschakelen
van een deskundige. De conclusie die uit voorgaande overwegingen kan
worden getrokken is dat de schatting per 6 juni 2001 op een juiste
medische grondslag berust.
Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de schatting per 6 juni
2001 overweegt de Raad dat daaraan een drietal functies in drie fb-codes
ten grondslag ligt, dat twee van de drie functies geen overschrijdingen
kennen en dat de derde functie, medewerker aanvoer service bloemen, een
asterisk laat zien op aspecten 14 (duwen en trekken) en 28A
(aanmerkelijke tijdsdruk). De door gedaagde gegeven motivering waarom
desondanks geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid op
deze aspecten acht de Raad voldoende.
De Raad kan evenwel niet tot de conclusie komen dat de schatting per 6
juni 2001 ook op een juiste arbeidskundige grondslag berust, omdat de
Raad zich niet kan verenigen met de vaststelling van de maatman. De Raad
kan zich volledig vinden in het hiervoor weergegeven standpunt van
Smijers, zoals dat is weergegeven in het rapport van 22 november 2002,
namelijk dat appellant van 16 september 1998 tot 18 mei 2000 heeft
gewerkt als montagemedewerker en dat er geen redenen zijn om aan te
nemen dat hij toen ongeschikt was voor gangbare arbeid in het vrije
bedrijf. Dit betekent dat de maatman van appellant de montagemedewerker
is, die 52,58 uur per week werkt. Overigens leidt dit niet tot een
andere mate van arbeidsongeschiktheid dan 15 tot 25%, zodat geen
aanleiding bestaat de aangevallen uitspraak en bestreden besluit 1 in
zoverre te vernietigen.
Nu de Raad van oordeel is dat gedaagde de mate van arbeidsongeschiktheid
van appellant per 6 juni 2001 terecht heeft vastgesteld op een
arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25, staat daarmee tevens
voor de Raad vast dat gedaagde terecht geen gronden heeft gezien om
terug te komen van het besluit van 26 maart 2001.
Ten aanzien van bestreden besluit 2
Ingevolge het bepaalde in art. 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW),
zoals deze bepaling luidde ten tijde hier in geding, heeft de verzekerde
bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of
gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad
wordt onder ‘zijn arbeid’ verstaan de laatstelijk voor de
ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval
als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde
na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend
ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als
maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij
de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de
WAO. In de thans te beoordelen zaak betekent het voorgaande dat ter zake
van appellants ziektegeval van 6 november 2001 als maatstaf dient te
worden aangelegd de functies die ten grondslag liggen aan de schatting
per 6 juni 2001. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie RSV 2003/97)
dient onder ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de ZW te
worden verstaan elk van die functies afzonderlijk. De verzekerde is in
de hier bedoelde gevallen voor de toepassing van de ZW pas ongeschikt
voor ‘zijn arbeid’, als hij ongeschikt is alle eerder in het kader
van de WAO geselecteerde en gangbare functies te vervullen. Het kunnen
vervullen van slechts een van die functies is voldoende voor het oordeel
dat de verzekerde geschikt is voor ‘zijn arbeid’.
De Raad stelt vast dat uit het spreekuurverslag van Smijers blijkt dat
appellant zich heeft ziek gemeld met dezelfde klachten waarvoor hij
eerder in het kader van de WAO is beoordeeld en dat Smijers bij
onderzoek geen reden heeft kunnen vinden waarom appellant de
geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten. Van de zijde van
appellant zijn geen gegevens in geding gebracht waaruit zou blijken dat
appellant op 28 januari 2002 medisch in een slechtere toestand verkeerde
dan op 6 juni 2001, hetgeen appellant overigens ook niet gesteld heeft.
Gelet op voorgaande overwegingen komt de Raad tot de conclusie dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid
van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 2 maart 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|